Bouw en werking van het oog

Bouw en werking van het oog

Inleiding

Het oog heeft een doorsnede van tweeënhalve centimeter. Het bestaat uit drie grote delen:
– de OOGWAND: de buitenkant van het oog, die werkt zoals een fototoestel;
– het GLASACHTIG LICHAAM: een heldere, geleiachtige vloeistof binnenin, die ervoor zorgt dat het oog bol blijft;
– de OOGZENUW: de kabel die het oog verbindt met de hersenen.

Ook de oogwand bestaat uit drie basisdelen:
– een stevige buitenlaag: de HARDE OOGROK;
– een middenlaag met veel bloedvaten en pigment: het VAATVLIES;
– een binnenlaag met lichtgevoelige cellen: het NETVLIES.

Anatomie van het oog

A. voorste oogkamer
B. hoornvlies = cornea
C. pupil
D. regenboogvlies = iris
E. corpus ciliaris = straallichaam
F. musculus ciliaris = kringspier van het straalvormig lichaam
G. lens
H. gele vlek = macula
I. papil = blinde vlek
J. vaatvlies = choroidea
K. harde oogrok = sclera
L. oogzenuw = nervus opticus
M. netvlies = retina
N. glasvocht = glasachtig lichaam

De buitenlaag van de oogwand

De harde oogrok (sclera) is wat wij het oogwit noemen. Het is een wit, ondoorzichtig vlies dat de oogbol beschermt en verstevigt. Vooraan gaat de harde oogrok over in het doorzichtige hoornvlies (cornea), dat bedekt is met een beschermend bindvlies (conjunctiva). In vergelijking met een fotocamera is het hoornvlies het venster waardoor de lichtstralen binnenkomen.

De middelste laag

De middelste laag van de oogwand is het vaatvlies (choroidea). Zoals de naam het zegt, bevat dit vlies heel veel bloedvaten. Die brengen de voedingsstoffen naar de juiste plaats en regelen de temperatuur. Het vaatvlies gaat vooraan eerst over in het straallichaam (corpus ciliare) en daarna in de iris(regenboogvlies).

De iris bepaalt de kleur van de ogen. Ze is te vergelijken met het diafragma van een fototoestel. In het midden van de iris zit een opening: de pupil. Kringspiertjes maken de opening groter of kleiner. Is er veel licht, dan wordt de pupil nauwer. Bij schemering of duisternis gaat de pupil ver open. De pupil is dus een opening, ook al lijkt hij zwart. Die kleur ontstaat doordat het oog het licht dat binnenkomt, niet weerkaatst.

Achter de iris zit de lens. Die wordt op zijn plaats gehouden door heel fijne vezeltjes. De lens is uiteraard doorzichtig. Ze heeft de vorm van een afgeplatte bol. De inwendige oogspiertjes kunnen de bolling van de lens veranderen en zo het binnenvallende beeld scherpstellen.

Iris en lens verdelen het oog in een voorste en een achterste oogkamer.

De binnenste laag

De binnenste laag van de oogwand is het netvlies(retina). Als je de vergelijking met de fotografie doortrekt, is het netvlies het scherm waartegen de beelden worden geprojecteerd. Er zitten miljoenen cellen op, die gevoelig zijn voor licht. Wat die cellen voelen, geven ze door aan de oogzenuw.

Het netvlies heeft twee soorten cellen. De staafjes(zo genoemd omdat ze staafvormig zijn) liggen vooral aan de zijkanten van het netvlies. Ze zijn alleen gevoelig voor licht en donker. De kegeltjes(kegelvormig) liggen meer naar het midden toe. Ze zijn gevoelig voor kleuren. Mensen hebben ongeveer honderd miljoen staafjes en zeven miljoen kegeltjes.

Precies achter de pupil zit de meest gevoelige zone van het netvlies: de gele vlek. Daar komen alleen kegeltjes in voor. Op die plaats in het oog zien we de kleuren heel goed en het gezicht is er heel scherp.

Vanaf de staafjes en de kegeltjes vertrekken zenuwvezels. Ze komen samen achteraan in het oog, in de grote oogzenuw. Op die plek zitten er geen staafjes en geen kegeltjes. Het netvlies is er ongevoelig voor licht en donker. Daarom wordt die plaats de blinde vlekgenoemd.

Naar de hersenen

Op een bepaalde plaats in de hersenen, ter hoogte van de hersenschors, worden alle waarnemingen van de staafjes en kegeltjes opgevangen en verwerkt. Beide oogzenuwen komen er samen.

En dan gebeurt er iets merkwaardigs. De hersenen corrigeren voortdurend de informatie die binnenkomt en ze fantaseren er zelf wat bij. Je ziet dus niet wat je echt ziet, maar wat de hersenen ervan maken. In feite is kijken één grote puzzelactiviteit van onze hersenen. Als je naar iets kijkt, overloop je met kleine oogbewegingen het hele oppervlak. De hersenen krijgen massa’s informatiestukjes binnen en maken er opnieuw één geheel van.

Het gezichtscentrum staat in verbinding met andere centra in de hersenen. De informatie wordt, nog sneller dan dat in de snelste computer zou kunnen gebeuren, vergeleken met wat al in het geheugen opgeslagen ligt. Op die manier proberen de hersenen de binnengekomen informatie “zinvol” te maken. Wat je ziet, wordt dus altijd gekleurd door de dingen die je vroeger al gezien en meegemaakt hebt.

Centraal en perifeer

Centraal in het kijkgebeuren staat de gele vlek. Alleen op die plaats nemen we scherp waar. Met de rest van het netvlies kijken we onscherp. Daarom wordt de gele vlek het centrale gezichtsveldgenoemd, de rest is het perifere gezichtsveld.

De spieren die aan de buitenkant van de oogbal zitten, kunnen de ogen doen draaien. Zo kunnen we onze blik richten. De blik richten wil zeggen: het hoofd en de ogen zodanig bewegen dat het beeld op de gele vlek terechtkomt. Op die manier kunnen we scherper waarnemen.

Toch is ook het perifere gezichtsveld erg belangrijk. We kunnen er ons mee oriënteren en het laat toe dat we toch voldoende elementen uit onze omgeving opmerken. Dankzij je perifere gezichtsveld zie je bijvoorbeeld de zijdelingse beweging van een voetganger aan de overkant.

Kijken in kleur

Er zijn drie soorten lichtgevoelige cellen, één voor elke primaire kleur: blauw, groen en rood. Het licht prikkelt drie soorten kegeltjes in verschillende mate, afhankelijk van de golflengte van het licht. Het resultaat is een mengkleur. Het menselijk oog kan wel 160 mengkleuren waarnemen. Samen met de apen zijn we de enige zoogdieren die de drie basiskleuren kunnen waarnemen. Bijen, vlinders, vissen, amfibieën en sommige reptielen zien ook kleuren.

Als er maar één soort kegeltjes geprikkeld wordt, zie je maar één kleur. Wit zie je als alle receptoren geprikkeld worden. Bij mensen die kleurenblind zijn, werken de kegeltjes niet zoals het hoort.

Kleurencirkel

Kleurencirkel

Licht en donker

Het oog past zich voortdurend aan naarmate er meer of minder licht op valt. Dat gebeurt met verschillende mechanismen, zoals de regeling van de pupilgrootte. Bij fel licht is de pupil klein, zodat weinig licht tot het netvlies kan doordringen. In het donker staat de pupil ver open en kan een maximale hoeveelheid licht het netvlies bereiken.

Naarmate de hoeveelheid licht vermindert, worden vooral de staafjes actief. Ze zorgen ervoor dat we ook in de schemering nog wat kunnen zien. Bij sommige mensen werkt dat mechanisme niet goed: zij zijn nachtblind.

De weg van het licht

Het licht raast het oog binnen met een duizelingwekkende snelheid van bijna 300.000 kilometer per seconde. Onafgebroken wordt het netvlies gebombardeerd door invallende lichtstralen. Om beschadiging te voorkomen, zijn heel wat verdedigingsmechanismen ingebouwd. Die zorgen ervoor dat het licht in de juiste hoeveelheden op het netvlies terechtkomt.

Het licht gaat voorbij het hoornvlies en het vocht van de voorste oogkamer. Dan komt het aan bij de opening in de iris, de pupil. De spiertjes reageren meteen: is er veel licht, dan wordt de pupil kleiner, is er weinig licht, dan trekt hij zich ver open. Dat hele proces kan wel enkele seconden duren. Dat merk je goed als je vanuit een donkere kamer naar buiten stapt, waar hevig zonlicht is, of als je vanuit het donker plotseling in een plaats komt waar heel veel licht is: dan ben je telkens even verblind.

De lens

Het licht dat door de pupil geraakt, valt op de lens. Die maakt zich boller of platter, zodat het beeld zo scherp mogelijk op het brandpunt terechtkomt.

Het brandpunt bevindt zich op het netvlies aan de achterkant van de oogbol, waar de staafjes en kegeltjes zitten. Het licht wordt er omgezet in elektrische stroompjes, die via zenuwcellen en de gezichtszenuw naar de hersenen worden doorgestuurd.

De beeldvorming

Het eigenlijke beeld wordt, zoals gezegd, in de hersenen gevormd. Ook dit is een ingewikkeld proces, waarbij de informatie van de twee ogen wordt gecombineerd en samengevoegd met fragmenten uit het geheugen. De hersenen beslissen uiteindelijk wat je waarneemt.

Bijziendheid en verziendheid

Wie bijziend (myoop) is, ziet van dichtbij heel scherp maar heeft het moeilijk om iets wat veraf is, duidelijk te onderscheiden. Dat komt omdat het hoornvlies en de ooglens te bol zijn in verhouding tot de lengte van het oog. De lichtstralen worden te sterk afgebogen en het scherpe beeld komt vóór het netvlies terecht.

Ben je verziend, dan ervaar je net het omgekeerde. Wat veraf is, wordt scherp waargenomen, wat nabij is onscherp en onduidelijk. De ooglens is te plat in verhouding tot de lengte van het oog. De lichtstralen worden te weinig gebogen, zodat het scherpe beeld achter het netvlies terechtkomt.

Om deze twee afwijkingen te corrigeren, kan de kromming van het lenzensysteem veranderd worden. Brillen of contactlenzen zorgen ervoor dat het licht naar de juiste plaats wordt afgebogen. Een bolle lens corrigeert verziendheid, een holle lens bijziendheid.

Bijziendheid en verziendheid zijn erfelijk. Kinderen waarvan de beide ouders met dit probleem te kampen hebben, maken veel kans om er zelf ook last van te krijgen.

Op een zekere leeftijd gaat bij velen het gezichtsvermogen achteruit. Meestal ligt het keerpunt rond het veertigste levensjaar. Een oudere ooglens is minder soepel en kromt minder gemakkelijk. Het zicht in de verte blijft goed, maar van dichtbij gaat het moeilijker.

Bron: Blindenzorg Licht en Liefde, Documentatiedienst

Zien: Het optische systeem

Het hoornvlies

Het hoornvlies (de cornea) is het venster waardoor het licht ons oog binnenkomt. De cornea is helder, zodat de stralen ‘ongehinderd’ het hoornvlies kunnen passeren. Het hoornvlies is verantwoordelijk voor een belangrijk deel van de totale lichtbreking.

Het hoornvlies bevat veel zenuwuiteinden. Daardoor is aanraken van het hoornvlies heel pijnlijk (denk bijvoorbeeld aan een vliegje of een stofje in het oog).

De voorste oogkamer

De voorste oogkamer is de ruimte tussen het hoornvlies en de iris. Deze is gevuld met het kamerwater. Dit kamerwater bevat zuurstof en voedingsstoffen. De functie van het kamerwater is de voeding van cornea, lens en glasachtig lichaam. Er is steeds een constante hoeveelheid kamerwater in de ruimte aanwezig, omdat er een constante hoeveelheid wordt aangevoerd en ook weer afgevoerd.

De pupil

De pupil wordt gevormd door de iris. De pupil is in feite niets anders dan een opening in de iris. Hiermee kan de hoeveelheid licht die het oog binnenkomt worden geregeld. De pupil kan groter en kleiner worden, afhankelijk van de hoeveelheid licht in de omgeving.

Bij veel licht (b.v. fel zonlicht) wordt de pupil kleiner om het netvlies af te schermen voor te veel licht. Bij weinig licht (b.v. in een donkere ruimte) wordt de pupil juist groter om meer licht tot het oog toe te laten.

Zonlicht

Zonlicht

De lens

De lens breekt de lichtstralen die het oog binnenvallen, en zorgt er voor dat het beeld precies op het netvlies valt en daardoor scherp wordt gezien. De lens dient helder te zijn. De lens kan van vorm veranderen; hij kan plat en boller zijn.

Wanneer men naar een beeld op afstand kijkt, komen de lichtstralen van dat voorwerp evenwijdig het oog binnen. De lens zorgt dan in zijn meest platte vorm voor een scherp beeld op het netvlies.

Wanneer men naar een voorwerp op korte afstand kijkt (b.v. bij lezen), komen de stralen divergent (uit elkaar lopend) het oog binnen. De lens wordt dan boller waardoor een sterkere lichtbreking ontstaat en daardoor een scherp beeld op het netvlies. Dit noemt men accommodatie.

Naarmate men ouder wordt, neemt de elasticiteit van de lens af, en daarmee het accommodatievermogen. Vanaf ongeveer 45 jaar heeft daarom bijna iedereen een leesbril nodig.

Het glasachtig lichaam

Het glasachtig lichaam (of glasvocht) bestaat uit een geleiachtige vloeistof. De binnenste holte van het oog wordt opgevuld door dit glasachtig lichaam. Hierdoor worden de lagen die de binnenbekleding van het oog vormen (netvlies en vaatvlies) tegen de buitenwand aangedrukt (te vergelijken met de binnenband van een fiets, die tegen de buitenband drukt en hem zo in vorm houdt). Het glasachtig lichaam is mooi helder.

De retina

De retina (= netvlies) is het beeldscherm waarop het beeld wordt geprojecteerd. Het is een flinterdun vlies dat de binnenzijde van het oog bekleedt.

De retina bevat 2 soorten zenuwcellen: de kegeltjes en de staafjes. Deze zetten lichtenergie om in zenuwprikkels die naar de hersenen gezonden worden. Daar wordt het beeld geïnterpreteerd.

De kegeltjes nemen details en kleuren waar. Ze hebben licht nodig om te kunnen functioneren.

De staafjes nemen grove contouren waar, maar geen details. Ze functioneren bij (schemer)donker, zij zijn heel lichtgevoelig en hebben dus weinig licht nodig. Met de staafjes kunnen we geen kleuren zien, maar nemen we alles in grijstinten waar. Dit kun je bijvoorbeeld ervaren wanneer je in een donkere kelder iets zoekt.

Opbouw retina

De retina is als volgt opgebouwd: Precies in het centrum, recht achter de pupil, ligt de macula of gele vlek. Deze is heel klein, en bevat alléén maar kegeltjes.

Rondom de macula spreken we van de periferie. In de periferie liggen met name staafjes en in veel mindere mate kegeltjes. Het aantal kegeltjes neemt af naarmate de afstand tot de macula toeneemt.

Aan de nasale (neus) kant van de macula bevindt zich de blinde vlek. Dit is de plek waar alle zenuwvezels samen gebundeld worden en als de oogzenuw het oog ‘verlaten’. Met deze ‘blinde vlek’ kan men niets zien, omdat zich op deze plaats geen zenuwcellen bevinden.

Visuele baansysteem

De zenuwbundels die de informatie van het oog naar de visuele centra in de hersenen zenden, noemen we de visuele banen. Deze banen beginnen in het netvlies met de kegeltjes en staafjes; dit zijn miljoenen hele kleine zenuwcellen (6 miljoen kegeltjes en 120 miljoen staafjes). De zenuwcellen hebben hun verbinding met de hersenen via zenuwvezels. Deze vezels vormen tezamen de oogzenuwen.

De kegeltjes hebben ieder voor zich een verbinding via een zenuwvezel met de hersenen.

De staafjes zijn in groepjes van enkele cellen samen geschakeld en hebben vervolgens een verbinding met de hersenen. Dit verklaart het feit dat kegeltjes verantwoordelijk zijn voor details en staafjes meer voor het ‘grovere’ werk.

De zenuwvezels van de ‘nervus opticus’ verlaten het oog ter plaatse van de blinde vlek.

De oogzenuwen van beide ogen komen bij elkaar in het ‘chiasma opticum’ (= kruispunt). Dit ligt ongeveer in het midden van het hoofd ter hoogte van de ogen en precies tussen de oren.

Vanaf het ‘chiasma opticum’ gaan de visuele banen door naar het visuele centrum, dat in de achterste hersenkwab ligt.

In het chiasma kruisen delen van de zenuwbanen naar de andere hersenhelft.

Dit gebeurt als volgt: de vezels die afkomstig zijn uit het binnenste gedeelte (aan de neuskant) van beide netvliezen kruisen naar de tegenoverliggende hersenhelft. De vezels afkomstig uit het buitenste gedeelte van het netvlies (aan de slaapkant) passeren het chiasma ongekruist.

De kruising leidt ertoe dat:
* alle beelden uit het rechterdeel van het gezichtsveld in de linkerhersenhelft verwerkt worden;
* alle beelden uit het linkerdeel van het gezichtsveld in de rechterhersenhelft verwerkt worden.

Het bewuste zien komt tot stand door de verwerking van de optische impulsen in de hersenschors (de interpretatie van impulsen ofwel de visuele perceptie).

Daarbij worden de sterk verkleinde, omgekeerde en tweedimensionale netvliesbeelden door de hersenen vergroot, rechtop gezet en tot driedimensionale beelden samengevoegd.

In bovenstaand schema kunt u zien welke gevolgen leasies op verschillende plaatsen in de oogzenuw / hersenen hebben voor het gezichtsveld.

In de rondjes staat het zwarte deel voor uitval en het witte deel voor goed gezichtsveld.

Accommodatie

Accommodatie noemt men het vermogen van het oog om de lichtbreking te veranderen. Wanneer we op een voorwerp fixeren dat dichter bij het oog wordt gebracht, accommoderen we: door een reflexmechanisme wordt de lens boller en sterker brekend, waardoor het beeld op het netvlies scherp afgebeeld wordt.

Accommoderen is een functie van de lens. De lens is een aan beide kanten bol gekromd orgaantje, dat geheel doorschijnend is. De lens bestaat uit een kern, een schors en een kapsel. Het geheel heeft een bepaalde elasticiteit die in de loop van het leven afneemt. De lens groeit en men kan verschillende lagen in de lens herkennen, zoals de jaarringen in een boom.

De lens is gevat in een systeem van dunne vezels, de zonula-vezels, die aan het ‘corpus ciliare’ vastzitten.

Wanneer de vezels verslappen, hetgeen gebeurt wanneer de kringspier van het ‘corpus ciliare’ (de ‘musculus ciliaris’) zich aanspant, kan de lens door zijn elasticiteit boller worden, waardoor er een sterkere breking van de lichtstralen optreedt. Dan spreken we van accommodatie.

Verslapt daarentegen omgekeerd de ‘musculus ciliaris’, dan spannen de zonula-vezels het kapsel aan en wordt de lens dunner.

De elasticiteit van de lens neemt af naarmate we ouder worden. Vanaf de leeftijd van gemiddeld 45 jaar begint de accommodatie te kort te schieten. Men is dan aangewezen op het gebruik van een leesbril.

Hiervoor gelden de volgende richtlijnen:
* 45 jr: 1,5-2 dioptrieën
* 50 jr: 2 dioptrieën
* 55 jr: 2,5 dioptrieën
* 60 jr: 3 dioptrieën

Visus of gezichtsscherpte

Definitie visus/gezichtsscherpte

De visus of gezichtsscherpte is de mate waarin wij details kunnen onderscheiden; het vermogen om twee dicht bijeen liggende punten van elkaar te onderscheiden.

In het centrum van de retina bevindt zich een heel klein gebiedje waarmee we kleine details kunnen zien. Het netvlies is hier heel dun en er zijn geen bloedvaten die het licht onderbreken. Dit plekje heet de gele vlek of macula. Dit is het plekje midden in het centrum van het netvlies, recht achter de pupil. In de gele vlek bevinden zich alleen kegeltjes en geen staafjes. Deze kegeltjes (ongeveer 6 miljoen in getal) liggen dicht bijeen, zij kunnen ieder hun eigen impulsen aan de hersenen doorgeven. Daardoor is in de gele vlek (macula) een zeer hoge gezichtsscherpte mogelijk.

De kegeltjes functioneren alleen als er voldoende licht aanwezig is. Wanneer de helderheid groter wordt, is ook de gezichtsscherpte groter; de kegeltjes worden meer geprikkeld. In de schemering functioneren de kegeltjes minder of niet, zodat de gezichtsscherpte dan ook minder is.

Met de macula lezen we, herkennen we mensen, zien we dat het eten de goede kleur krijgt bij bakken, etc.

Steeds als we iets bekijken, richten we de ogen zodanig dat het beeld op de macula valt. Deze fixatiereflex ontwikkelt zich al in de wieg.

De gezichtsscherpte wordt uitgedrukt in de formule V = d/D.
V = visus
d = afstand van de persoon tot de letterkaart
D = afstand waarop een ‘goed’ (emmetroop) oog de letter nog kan herkennen
(Met andere woorden: de testafstand gedeeld door normale afstand)

De visus wordt gemeten door de oogarts of door een optometrist / opticien.

Hiervoor gebruikt hij de letterkaart. Iedere letterkaart is gestandaardiseerd voor een bepaalde afstand: 3, 5, of 6 meter. De persoon wordt gevraagd welke letters hij kan lezen van boven naar beneden. Wanneer hij tot onderaan komt, heeft hij een visus van 1 ofwel: 100 %.

Wanneer iemand ergens halverwege blijft ‘steken’, correspondeert dat met een bepaalde visuswaarde. Deze visuswaarde wordt uitgedrukt in procenten of in een breuk.

Bijvoorbeeld 20 % of anders gezegd: 2/10. (Deze procenten of breuken zijn gewone breuken.) Dit betekent dat de betreffende persoon moeite heeft met het waarnemen van details. Wanneer iemand bijvoorbeeld een visus van 2/10 heeft, betekent dit dat hij op 2 meter de details kan zien die een goedziende al op 10 meter afstand kan zien. Zo zal een goedziende die op 10 meter afstand van een boom staat, zien welke vorm de blaadjes hebben. De slechtziende zal naar de boom toe moeten lopen en pas op 2 meter afstand zien of het om een beuk of een eik gaat.

Bij sterke slechtziendheid worden de volgende methodes gebruikt:
* vingers tellen op 1 m. = 1/60
* handbewegingen waarnemen op 1 m. = 1/300
* licht / donker perceptie = er wordt alleen waargenomen of het in een ruimte licht of donker is.

Bij een gezichtsscherpte van 0,3 of lager heeft men hoogstwaarschijnlijk leesproblemen.

De ontwikkeling van de gezichtsscherpte is pas voltooid na het 4de levensjaar.

De visus die we uiteindelijk hanteren, is de waarde die men bereikt na optimale correctie.

Refractieafwijkingen

De refractie van het oog is de verhouding tussen de sterkte van het optische stelsel en de lengte van het oog gemeten in de optische as. De stralen die het oog binnenvallen worden door het optische systeem van het oog (gevormd door hoornvlies, lens en glasvocht) zodanig gebogen dat zij in één punt bij elkaar komen.

Wanneer de verhouding tussen de maat van het oog en de sterkte van het optische systeem precies goed is, valt dit punt exact op het netvlies. Men spreekt dan van een emmetroop oog.

Als de beeldvorming niet op het netvlies plaatsvindt, spreekt men van ametropie.

Dit kan berusten op fouten in de brekende kracht van het optische systeem, of op afwijkingen in de maat van het oog. Een combinatie van beide oorzaken is ook mogelijk. Er zijn twee vormen van ametropie, namelijk myopie (bijziendhied) en hypermetropie (verziendheid).

Myopie:

Als de stralen door het optische systeem zodanig gebroken worden dat het brandpunt vóór het netvlies valt, spreekt men van myopie. Er is dan sprake van een relatief ‘te groot oog’ of een te sterk brekend optisch systeem.

Deze brekingsafwijking kan worden gecorrigeerd door middel van negatieve glazen of lenzen. (zie tekening)

Hypermetropie:

Als de stralen door het optische systeem zodanig gebroken worden dat het brandpunt achter het netvlies valt, spreekt men van hypermetropie. Er is dan sprake van een relatief ‘te klein oog’ of een te zwak brekend optisch systeem.

Deze brekingsafwijking kan worden gecorrigeerd door middel van positieve glazen of lenzen.
(zie tekening)

Gezichtsveld

Definitie gezichtsveld: Het gezichtsveld is dat deel van de ruimte dat wordt waargenomen als het oog gefixeerd is op een bepaald punt.

Het gezichtsveld dat met twee ogen tegelijk kan worden overzien, heet het binoculaire gezichtsveld. Meestal is de grens van het gezichtsveld naar temporaal (de slaapkant) circa 90 – 100 graden, naar nasaal (neuskant) 50 graden, naar boven en naar beneden 50 – 60 graden.

De gevoeligheid van het netvlies hangt af van de plaats op het netvlies:
* in het centrum, ter plaatse van de macula, is de gevoeligheid hoog. Hier kan men goed details en kleuren zien, omdat hier alleen maar kegeltjes zitten: de zenuwcellen die verantwoordelijk zijn voor het detailzien en kleurenzien.
* In de periferie is de gevoeligheid laag. Hier kan men geen details zien, maar men kan wel zien dat er iets is. Wat betreft het kleurenzien, geldt voor de periferie dat van grotere en fel gekleurde oppervlakken wel de kleur wordt waargenomen, maar van kleine zachtgekleurde oppervlakken niet. Dit komt doordat hier veel staafjes zitten en veel minder kegeltjes.

Kenmerkend voor de periferie is dat bewegende objecten beter worden waargenomen dan stilstaande. Hiervan maakt men veel gebruik tijdens mobiliteit / in het verkeer.

Het gezichtsveld wordt gemeten tijdens het gezichtsveldonderzoek of perimetrie. Tevens kan het centrale gezichtsveld nader worden onderzocht met de Amsler-test.

Resultaten gezichtsveldonderzoek

Resultaten gezichtsveldonderzoek

Het gezichtsveld wordt uitgedrukt in graden.

Uit bovenstaande blijkt het verschil tussen het gezichtsveld en de gezichtsscherpte.

Het gezichtsveld zegt iets over de functie van het gehele netvlies; gezichtsscherpte echter zegt alleen iets over de functie van de ‘fovea’ (het centrale gedeelte van de macula) bij een gefixeerde blikrichting.

Alleen het punt waarop men fixeert wordt scherp gezien. De voorwerpen worden onscherper waargenomen naarmate de hoek tussen deze voorwerpen en het fixeerpunt groter wordt.
Verschillende oogaandoeningen kunnen gezichtsvelduitval tot gevolg hebben.
De uitval kan ontstaan doordat:
* de zenuwcellen die het netvlies vormen niet (goed) functioneren;
* de impulsen vanuit de zenuwcellen niet goed naar de hersenen worden geleid, ten gevolge van een niet (goed) functioneren van de zenuwvezels of de gehele oogzenuw;
* de hersenen ter plaatse van de visuele cortex (deels) beschadigd zijn.

Bij beperkt centraal gezichtsveld van 10 graden of minder spreekt men van ‘kokerzicht‘. Hierbij mist men het perifere gezichtsveld, waardoor de mobiliteit en het hebben van overzicht bemoeilijkt worden.

Het andere ‘uiterste’ noemt men centrale uitval. Hierbij worden beelden die precies op de macula vallen niet waargenomen. Men kan dan geen details waarnemen en meestal ontstaan problemen bij het kleurenzien.

Ook kunnen er allerlei andere vormen van gezichtsvelduitval voorkomen.
Een andere naam voor gezichtsvelduitval is ‘scotoom‘.
Er zijn twee soorten scotomen; absolute en relatieve scotomen. Een absoluut scotoom is een uitval waarbij het totale beeld dat op dat stukje netvlies valt, ontbreekt.

Bij een relatief scotoom is sprake van een gedeeltelijke uitval; niet alle cellen op dat stukje netvlies functioneren goed of niet alle bijbehorende vezels geven de informatie goed door aan de hersenen. Hierdoor ontstaat een slecht beeld (te vergelijken met het beeld dat men ziet als men door een vergiet heen kijkt).

De blinde vlek is een voorbeeld van een absoluut scotoom. Ter plaatse van de blinde vlek kan men niets waarnemen, omdat op de plaats waar de zenuwvezels het oog verlaten en overgaan in de oogzenuw, zich geen zenuwcellen bevinden. Toch merken we daar niets van. Dit komt doordat de hersenen de ontbrekende informatie ‘invullen’.

Dit zelfde fenomeen doet zich voor bij gezichtsvelduitvallen die zijn ontstaan ten gevolge van een oogaandoening. Als mensen met een centrale uitval bijvoorbeeld op een lang woord fixeren, vallen de middelste letters van dat woord weg, maar dit ‘gat’ wordt door de hersenen opgevuld, zodat een ‘nieuw’ woord ontstaat dat ineens niets meer betekent.

Diepte zien

Het dieptezien binnen een afstand van 2 meter is een functie waar men beide ogen voor nodig heeft. Wanneer iemand plotseling het zicht aan een oog verliest, krijgt hij problemen bij het inschatten van de diepte. Hij zal in het begin mogelijk de koffie en thee naast het kopje schenken en de suiker ernaast doen. Ook kan hij moeite hebben met de waarneming van op- en afstapjes.

Na enkele maanden treedt er echter vaak gewenning op en verdwijnen deze klachten.
Opmerking: Deze informatie is niet correct:
Wanneer je plotseling een oog verliest, passen je hersenen na 3 maanden het zicht weer redelijk aan. In ieder gavel mag je na 3 maanden weer autorijden. Het geen diepte zien blijft echter. Je leert daar in de loop der tijd wel beter mee omgaan. Op de website van de patiëntenvereniging “Oog in Oog” vind je hierover 3 pagina’s:
* http://www.ver-ooginoog.nl/informatie/zien-met-1-oog.html

Voor het dieptezien op een afstand groter dan 2 meter, maken we gebruik van andere waarnemingen om de afstand en de diepte te beoordelen:
* perspectief
* schaduwen
* kleurverandering
* relatieve grootte
* overlappende beelden

Autorijden, met blik op dashboard van de wagen en de weg

Autorijden, met blik op dashboard van de wagen en de weg

Kleuren zien

Kleurenzien is een belangrijke functie van de kegeltjes, die met name gegroepeerd zijn in de macula. In de periferie moet de kleurprikkel dus sterker zijn om waargenomen te worden.

Iemand die totaal kleurenblind is, ziet de omgeving in grijze tinten. Het komt vaker voor dat mensen gedeeltelijk kleurenblind zijn.

Kegeltjes hebben drie soorten pigmenten, één voor rood, één voor geelgroen en één voor blauw. Deze kleuren corresponderen met de drie basiskleuren waarmee je alle andere kleuren kunt mengen.

De drie soorten pigmenten corresponderen met de kleurenzien-stoornissen. Meestal mist men één kleurendimensie en houdt men er dus nog twee over.

Roodblinden (deze worden ‘protans’ genoemd) hebben een stoornis in het rood.
Groenblinden (‘deutans’) hebben een stoornis in het groen.

Blauwblinden (‘tritans’) zijn zeldzaam.

Met de Isihara-test en de City University Color Vision-test kan men beoordelen of er sprake is van kleurenblindheid en welke soort.

Verlichting

Inleiding

We zien bij de gratie van licht; in het pikkedonker zien we niets.
De behoefte aan licht loopt op met de leeftijd. Een persoon van 60 jaar heeft 10 keer zo veel licht nodig als iemand van 20 jaar. Licht heeft een duidelijke invloed op de contrast– en kleurwaarneming.

Voor slechtzienden geldt dat de behoefte aan licht zeer individueel bepaald dient te worden. Er zijn geen algemene richtlijnen te geven in de zin van ‘ieder persoon met cataract heeft behoefte aan veel warm licht’. De ene slechtziende ziet het beste bij extra veel licht, de andere functioneert juist beter bij een laag lichtniveau.

Een goede verlichting kan de visuele mogelijkheden van een slechtziende vergroten, een slechte verlichting kan een negatief effect hebben. Verkeerde verlichting kan bij langdurig gebruik leiden tot klachten over hoofdpijn, overmatige vermoeidheid of een branderig gevoel achter de ogen. Storende elementen moeten dus zoveel mogelijk worden voorkomen. We noemen hier bijvoorbeeld te weinig of te veel licht en hinder van direct licht of reflecties.

Het verrichten van visuele taken bij een te lage verlichtingssterkte kan wel leiden tot vermoeidheid maar niet tot oogbederf.

Het is belangrijk te onderzoeken welke kleur en welke hoeveelheid licht een optimaal visueel functioneren mogelijk maken. Daarbij moet worden bepaald bij welke verlichting men het beste ziet en bij welke verlichting men zich het prettigst voelt, zodat het ook gedurende langere tijd is vol te houden.

Soms spreken de uitkomsten van deze bepalingen elkaar tegen en zal er dus een keuze gemaakt moeten worden: wilt u zo goed mogelijk zien, of wilt u een comfortabele situatie creëren? Deze keuze zal vaak van de taak en de situatie afhangen: gaat het om presteren of om ontspannen?

We kunnen onderscheid maken tussen algemene of basisverlichting enerzijds en werkplek- of taakverlichting anderzijds.

De basisverlichting maakt het mogelijk om zich goed voort te bewegen en te oriënteren in een ruimte. De werkplekverlichting maakt het mogelijk om details te zien, zoals tijdens lezen, handwerken, snijden van groenten, etc.

Voor het verrichten van taken waarbij een groter beroep wordt gedaan op het detail- zien heeft men in het algemeen meer licht nodig dan voor de ‘grovere’ taken.

Voor de algemene verlichting geldt in het algemeen dat deze zo egaal mogelijk dient te zijn, zodat geen donkere hoeken of schaduwwerkingen kunnen ontstaan, omdat anders een voortdurende aanpassing van het oog wordt gevraagd.

Dit kan bereikt worden door het aanbrengen van meerdere lampen.

De uiteindelijke lichtsfeer wordt niet alleen bepaald door de aangebrachte hoeveelheid licht, maar ook door de omgeving: in een ruimte waar veel donkere meubels staan en een donkere vloerbedekking ligt, is het effect heel anders dan in een lichte ruimte met lichte meubels.

De plek waar men vaak zit (met name als het gaat om een bureauopstelling) dient zodanig ten opzichte van ramen en armaturen geplaatst te zijn, dat geen hinder kan ontstaan van direct of indirect invallend licht.

De plaatsing van een beeldscherm dient zodanig te zijn dat geen hinder kan ontstaan van reflecties van armaturen en daglicht vanaf het beeldscherm.

Daarbij is het belangrijk een werkplek zodanig te kiezen dat er zich geen hinderlijk licht (b.v. uitstralende armaturen) in het gezichtsveld bevindt.

Ook moet men proberen reflecties vanaf grote gladde of glimmende oppervlakken te voorkomen.

Hinderlijk daglicht kan men weren door middel van een goede zonwering (zonnescherm, horizontale of verticale lamellen, vitrage etc.).

Wanneer men snel last heeft van (fel) zonlicht kan men gebruik maken van een goede zonnebril, pet of zonneklep. Er bestaan ook filters die ook het licht aan de zijkant en bovenkant afschermen in de vorm van achterhangers of overzetbrillen.

Voorkoming verblinding / lichthinder

Om verblinding / lichthinder te voorkomen, moeten we dus op de volgende punten letten:
* het voldoende afschermen van de lichtbronnen in de kijkrichting;
* het contrast tussen lichtbron en achtergrond zo klein mogelijk maken (geen heldere lamp of lampenkap tegen een donkere achtergrond plaatsen);
* storende lichtbronnen buiten het gezichtsveld plaatsen. Lees- en werkplekverlichting niet vóór, maar naast of boven de gebruiker plaatsen;
* het oppervlak van werktafels zo mat mogelijk uitvoeren. Bijvoorbeeld geen glazen tafelblad, geen glimmende toetsen op een toetsenbord;
* niet met het gezicht naar het raam gekeerd gaan zitten.

Steeds geldt dat we het licht dáár moeten brengen waar we het nodig hebben.

Voor de werkplekverlichting kan gekozen worden uit vele verschillende soorten armaturen. Bij het maken van de keuze moet men vooral letten op de lichtopbrengst en de mate waarin het licht gespreid wordt. Ook is het bij de werkplekverlichting zeer belangrijk voor een goede afscherming van de lichtbron te kiezen, om te voorkomen dat men direct in het licht kan kijken. Hinderlijke reflecties van het papier (b.v. bij glimmende tijdschriften) dienen vermeden te worden, door de armatuur zodanig op te stellen dat het gereflecteerde licht niet op het gezicht kan schijnen.

Bij gebruik van een bureaulamp in combinatie met een concepthouder moet men er voor waken dat het licht van de lamp ook niet op het beeldscherm reflecteert.

In de keuken is het belangrijk goed licht op de handen te hebben, b.v. bij het werken aan het aanrecht. Wanneer men alleen kan beschikken over een lamp aan het plafond, staat men zichzelf vaak in het licht. Door TL-buisjes onder de bovenkastjes te plaatsen, zorgt men voor genoeg licht op de handen.

Algemene verlichting en werkplekverlichting moeten in de juiste verhoudingen gebruikt worden. In het algemeen geldt dat een optimale situatie ontstaat wanneer er sprake is van een verhouding van 1 staat tot 3 staat tot 10 (1:3:10) tussen de lichtniveaus van respectievelijk de wijde omgeving, de naaste omgeving en de directe werkplek. Voor slechtzienden kunnen de verhoudingen 1:3:5:10 gelden.

Met deze verhoudingen wordt voorkomen dat er door te grote overgangen adaptatie-problemen ontstaan.
Het is belangrijk de lichtbehoefte te bepalen, alvorens met optische hulpmiddelen aan de slag te gaan.
Elke vergroting vraagt om verlichting. Het licht wordt door de vergroting deels ‘opgegeten’.

Hieronder zullen we nog enkele begrippen behandelen rondom verlichting die belangrijk zijn.

Begrippen rond verlichting

Luminantie

Onder luminantie wordt verstaan: de verhouding van de lichtsterkte van een lichtbron in een bepaalde richting tot het schijnbaar oppervlak van deze lichtbron.

Met andere woorden: het oplichten van de armatuur.

Verlichtingssterkte

We kennen allemaal de kale gloeilamp midden in de kamer aan het plafond als we pas verhuisd zijn. Die lamp straalt naar alle kanten een zekere hoeveelheid licht uit. Die hoeveelheid wordt uitgedrukt in lumen: de hoeveelheid licht die op een bepaald oppervlak wordt gemeten.

De verlichtingssterkte wordt gemeten met een luxmeter en uitgedrukt in lux. Naarmate de afstand van de leeslamp tot het te verlichten voorwerp groter wordt, neemt de verlichtingssterkte af, en wel met een kwadraat van die afstand. Dus als we een lamp op een afstand van twee meter boven een tafel hangen, krijgen we viermaal minder licht op de tafel dan wanneer hij op één meter afstand boven de tafel hangt. Dus hoe dichter de lamp boven de tafel hangt, hoe hoger de verlichtingssterkte op die tafel is.

Contrast

Bedoeld wordt het verschil in aanzicht tussen twee delen in het gezichtsveld die tegelijkertijd of kort na elkaar worden gezien. Het verschil kan veroorzaakt worden door helderheidsverschillen, kleuronderscheid of door beide.

Slechtzienden hebben vaak baat bij grotere contrastverschillen. Zo kan het gemakkelijker zijn melk in een donkere mok te schenken dan in een witte. Een deurklink in een contrasterende kleur is gemakkelijker te vinden.

Tè grote contrastverschillen kunnen echter ook weer hinderlijk zijn, omdat ze veel vragen van het aanpassingsvermogen van de ogen. Een voorbeeld hiervan is een raam bij avond waar geen gordijnen voor hangen. Dit kan als een groot zwart gat worden ervaren.

Schema aanbevolen verlichtingssterktes

Hieronder volgt een schema waarin u de aanbevolen verlichtingssterktes voor verschillende ruimtes en visuele taken vindt.

Typering ruimte / aanbevolen verlichtingssterkte

Typering van de visuele taak

Voorbeelden

geen werkruimte:
30-60 lux
vooral visuele oriëntatie; nauwelijks waarneming van details; wel van grote objecten en beweging van personen opslagruimtes, parkeergarages
incidenteel in gebruik als werkruimte:
60-125 lux
vooral visuele oriëntatie; waarneming van zeer grove details en beweging van personen gangen, trappenhuizen
voor grof werk:
125-250 lux
visuele taken met grove details grof constructiewerk in industrie, smederijen, magazijnen
voor normaal werk:
250-500 lux
visuele taken met normale details lees-/schrijfwerk met normale details; kantoren
voor fijn werk:
500-1000 lux
visuele taken met fijne details tekenkamers
voor zeer fijn werk:
1000-2000 lux
visuele taken met zeer fijne details precisiewerk in de industrie; kadastraal werk
voor bijzondere visuele taken:
2000-4000 lux
visuele taken met minieme details microminiaturisatie
voor exceptionele visuele taken:
4000-8000 lux
visuele taken met details aan de grens van het waarneembare operatie-/ behandelruimte in ziekenhuis

Dit zijn algemene regels die opgesteld zijn voor goedzienden.

Voor slechtzienden dienen de individuele behoeftes nader onderzocht te worden

Kijkstrategieën

Inleiding

Voor een optimaal gebruik van de restvisus kan het soms belangrijk zijn om een nieuwe manier van kijken aan te leren.

In sommige gevallen is de slechtziende al spontaan de meest efficiënte manier van kijken gaan gebruiken. In de praktijk echter is gebleken dat dit niet altijd het geval is. Binnen de Zientraining opVisio wordt onderzocht wat de beste manier van kijken is. Vervolgens kan men zich deze manier eigen maken.

Met name lezen wordt vaak moeilijk voor een slechtziende.

Gezichtsvelduitvallen kunnen een sterke invloed hebben op het leesproces. Vaak is een afname van het leestempo het gevolg.

Hieronder zal een aantal kijkstrategieën de revue passeren. De drie eerst genoemde kijkstrategieën zijn gekoppeld aan drie veel vóórkomende vormen van gezichtsvelduitval.

Kokervisus

Wanneer er sprake is van kokervisus?

We spreken van kokervisus als er uitval is van het perifere gezichtsveld. Alleen het centrale zien functioneert dan nog.

In dit geval is zowel links als rechts van het centrum sprake van uitval. Hierdoor heeft men geen overzicht. Men zal dus moeten ‘scannen’ om zich een totaalbeeld van de omgeving te vormen. Zeker als men specifiek iets zoekt, is de meest efficiënte manier van zoeken het systematische scannen. Zo kan men, wanneer men bijvoorbeeld iets zoekt op het aanrecht, dit goed doen door systematisch van links naar rechts en van voor naar achter te kijken; het aanrecht wordt in banen verdeeld.

Het leesproces kan ook zeer negatief beïnvloed worden door een beperkt gezichtsveld. Men heeft dan geen overzicht over de hele zin. Men kan niet zien waar men naartoe moet lezen (normaal werkt de periferie als ‘padvinder’) en het vinden van de nieuwe zin is moeilijk. Daarbij kan het fixatieveld ook kleiner zijn geworden; men kan minder letters tegelijk zien. Wanneer gelezen wordt met de ‘oude’ oogbewegingen, springt men voortdurend over een aantal letters heen. Hierdoor wordt het moeilijk de samenhang en inhoud van een tekst op te nemen en kan het nodig zijn om meerdere regressies te maken (terug moeten lezen). Dit kost veel tijd.

Door middel van training kan men proberen te leren de oogbewegingen aan te passen aan het nieuwe fixatieveld. Men moet dan leren kleinere sprongen te maken, zodat men niet over een aantal letters heen springt. Het gebruik van een liniaal of het meewijzen met de vinger kunnen het gemakkelijker maken de zin vast te houden, dóór te lezen en het begin van de nieuwe zin te vinden. Het gebruik van een visoletloep kan óók op die manier werken. De visoletloep geeft tevens een geringe vergroting en werkt contrastverhogend. Voor sommige slechtzienden is het efficiënter om niet de ogen maar de tekst te bewegen, zodat de tekst steeds binnen het (beperkte) gezichtsveld valt.

Het vinden van de nieuwe regel is vaak ook gemakkelijker wanneer men over de ‘oude’ zin teruggaat naar het begin van de regel, en pas daarna een regel naar beneden zakt.

Iemand met kokervisus kan voor zichzelf uitproberen welke manier van bewegen voor hem het prettigst is: de ogen bewegen, het hoofd bewegen, de tekst bewegen of een combinatie van deze drie manieren.

Centrale uitval

Wanneer er sprake is van centrale uitval:

Bij een centrale uitval valt bij de oude manier van fixeren hetgeen men op fixeert, weg. Om iets te zien, moet men ernaast, erboven of eronder kijken.

Dit noemt men excentrisch fixeren: een manier van kijken waarbij men niet als bij de oude reflex het centrum richt op datgene wat men wil zien, maar waarbij men met de periferie kijkt. Details waarnemen is daardoor onmogelijk.

Het leesproces wordt ook zeer negatief beïnvloed door een centrale uitval.

Wanneer er sprake is van centrale uitval, vallen steeds de middelste letters van een woord weg waarop men fixeert. Daarbij komt dat het vermogen om details te zien afneemt met de afstand tot de macula. Dus hoe groter de centrale uitval, hoe geringer de gezichtsscherpte en hoe groter de vergroting die men nodig heeft om nog te kunnen lezen.

Een goed ontwikkelde fixatiereflex zorgt ervoor dat men probeert te lezen op de oude manier, waarbij de hersenen automatisch de kortste afstand naar het centrum van de retina (de macula) kiezen om mee te lezen of details te zien. Deze reflex blijkt zeer hardnekkig, ook wanneer de macula ten gevolge van een oogaandoening niet goed werkt.

Ten gevolge van de centrale uitval is er nu tijdens het lezen sprake van “gaten” in de ketting. Ook hier moet men dus weer gebruik maken van excentrische fixatie.

Men is gedwongen te lezen met de periferie.

Men kan er voor kiezen links, rechts, onder of boven de tekst te kijken. Voor het lezen geldt dat het meest efficiënt is om onder of boven het woord of de zin die men wil lezen, te kijken. Dit is gunstiger dan links of rechts van de uitval te kijken. Wanneer men namelijk links van de uitval kijkt, zit de uitval ‘in de weg’ bij het naar rechts doorlezen. Kijkt men rechts van de uitval, dan ‘zit hij in de weg’ bij het vinden van de nieuwe zin. Door middel van training kan men proberen een nieuwe fixatiereflex aan te leren.

Scotomen

Wanneer er sprake is van meerdere (kleine en/of grote) scotomen:

In dit geval is het belangrijk er achter te komen hoe het gezichtsveld er precies uitziet, waar de scotomen zitten en welke delen van het netvlies het beste te gebruiken zijn. Het best bruikbaar wil zeggen: zo groot mogelijk, zodat men een zo groot mogelijk overzicht kan krijgen. Hierbij is het essentieel dat de slechtziende zich hier zèlf heel goed bewust van is, omdat dit het makkelijker maakt de oude reflex te onderdrukken en zich een nieuwe reflex aan te leren.

Zo wordt bijvoorbeeld bij een ringscotoom (een ringvormige uitval waarbij het centrum en de uiterste periferie goed zijn) niet vaak spontaan de periferie ingeschakeld om overzicht te krijgen. Dit wordt makkelijker als men zich bewust is van die mogelijkheid.

Wanneer er sprake is van een hemianopsie (hierbij is de linker of rechter helft van het gezichtsveld uitgevallen), kan het lezen soms vergemakkelijkt worden wanneer men leert lezen met de tekst 90 graden gedraaid, dus van boven naar beneden of van beneden naar boven.

Strategieën te gebruiken bij nystagmus

De strategieën die we hier zullen bespreken ontstaan meestal spontaan. Het is wel belangrijk om zich bewust te zijn van de reden, zodat men er optimaal gebruik van kan maken en het ook gemakkelijker is om het uit te leggen aan derden.

Een strategie die vaak wordt gebruikt, is het snellezen. Door in hoog tempo over de zin ‘te vliegen’, wordt de nystagmus onderdrukt. Dezelfde tekst moet dan wel vaak 2 of 3 keer worden gelezen.

Soms is het aanhouden van een korte leesafstand effectief; door het accommoderen en convergeren worden de ogen als het ware ‘in de hoek vastgezet’, waardoor de nystagmus minder wordt. Ditzelfde principe geldt wanneer men het hoofd in een bepaalde hoek ten opzichte van de tekst houdt.

Ook ziet men vaak dat mensen met nystagmus voortdurend een beetje ‘wiebelen’ met het hoofd. Hierbij wordt het hoofd bewogen in de richting tegenovergesteld aan de nystagmus, waardoor de bewegingen elkaar als het ware opheffen.

Stress en vermoeidheid hebben een negatieve invloed op de nystagmus. Daarom is het nemen van pauzes en het zoeken naar een goede balans tussen in- en ontspannen belangrijk.

Ook door direct of indirect op de ogen vallend licht kan nystagmus erger worden. Dit dient dus steeds vermeden te worden.

Begin van een nieuwe zin vinden

Zoals reeds vermeld bij ‘kokervisus’, geldt voor bijna iedere vorm van slechtziendheid dat het lastig is het begin van een nieuwe zin te vinden. Dit is ook het geval bij het gebruik van een optisch hulpmiddel of een TV loep. De meest efficiënte manier is dan om over de gelezen zin terug te gaan naar het begin en pas daarna naar de volgende regel te zakken.

Lezen

Lezen met normale visus

Lezen is een interactie van snelle oogbewegingen en fixatiemomenten. Men ziet / leest de tekst niet tijdens de snelle oogbewegingen, maar wel tijdens de fixatiemomenten. Met de periferie van het netvlies kunnen we waarnemen waar het einde van de zin staat en in welke richting we dus moeten bewegen.

Wanneer men van het einde van een zin ‘op zoek’ gaat naar de volgende zin, gebeurt dit in de regel door middel van een schuine beweging van rechts boven naar links onder.

Men leest met de macula (het centrale deel van het netvlies). Dit is het enige deel van het netvlies waarmee details kunnen worden waargenomen.

Fixatiereflex

Deze reflex is heel sterk ontwikkeld: de hersenen kiezen automatisch het centrum van de retina, dus de macula, om mee te lezen of details te zien. Wij bewegen onze ogen in de richting van het detail dat we willen zien. Omdat het een reflex is, kan men het niet zomaar onderdrukken.

Fixatieveld

Het fixatieveld is het aantal letters dat men in totaal kan overzien bij fixeren op één letter. Een fixatieveld bestaat bij normale visus uit 10 tot 15 letters.

Als men ook stukjes netvlies náást de macula gebruikt, d.w.z. de paracentrale visus, wordt het fixatieveld breder. Geoefende lezers gebruiken ook hun paracentrale visus.

Hoe breder het fixatieveld, des te sneller men kan lezen.

Het fixeren van een lang woord duurt namelijk net zo lang als het fixeren van een kort woord.

Als het lezen normaal verloopt, is er sprake van een aaneenschakeling van fixatiemomenten, op elkaar aansluitend door middel van oogbewegingen (als kralen van een ketting).

Als men de tekst niet meteen begrijpt, gaat men terug en herleest men de tekst nog eens. Dit worden regressies genoemd. Regressies kosten tijd en energie.

Deel dit:
Advertenties

  1. Onvoorspelbaarheid en onzekerheid van oogproblemen07-05-2024 05:05:31
  2. Noten en ooggezondheid04-05-2024 06:05:13
  3. Willen blinde en slechtziende personen wel (weer) (goed) zien?16-04-2024 06:04:36
  4. Tips voor thuisverpleegkundigen die bij een blinde of slechtziende persoon komen15-04-2024 07:04:41
  5. Onbegrip over vermoeidheid bij blinden en slechtzienden07-04-2024 12:04:54
  6. Blind of slechtziend: Hand- en polsproblemen tijdens het stoklopen04-04-2024 12:04:21
  7. Omgaan met menstruatie als je een visuele beperking hebt31-03-2024 07:03:13
  8. Misselijkheid bij blinden en slechtzienden27-03-2024 03:03:09
  9. Korstjes op de oogleden27-03-2024 03:03:38
  10. Endoftalmitis (ontsteking van binnenste van oog)27-03-2024 03:03:14
  11. Dacryocystitis (ontsteking van traanzak)27-03-2024 03:03:41
  12. Iritis27-03-2024 03:03:09
  13. Iridocyclitis (uveitis anterior)26-03-2024 06:03:43
  14. Droge lucht en oogproblemen23-03-2024 05:03:09
  15. Verhoogde alertheid bij blinden en slechtzienden21-03-2024 07:03:19
  16. Aanpassingsstoornissen bij personen met een visuele handicap16-03-2024 08:03:41
  17. Vitaminen en ooggezondheid13-03-2024 07:03:10
  18. Oogproblemen bij het Chronisch Vermoeidheidssyndroom (CVS)12-03-2024 12:03:22
  19. Tranende / Waterige ogen08-03-2024 08:03:44
  20. Oogafscheiding07-03-2024 06:03:38
  21. Oogallergie06-03-2024 04:03:47
  22. Gezwollen ogen en oogleden05-03-2024 08:03:08
  23. Brandende ogen04-03-2024 06:03:39
  24. Oogwrijven28-02-2024 03:02:01
  25. Rode ogen27-02-2024 07:02:01
  26. Acupunctuur voor de ogen26-02-2024 04:02:00
  27. Slechtziend: Tips bij plotselinge misselijkheid door fel licht24-02-2024 05:02:38
  28. Problemen met het zien van details24-02-2024 01:02:17
  29. Ectropion (onderste ooglid draait naar buiten)20-02-2024 01:02:26
  30. Waarom mag je niet met je ogen in de zon kijken?20-02-2024 08:02:50
  31. Jeukende ogen19-02-2024 02:02:04
  32. Visuele cortex in hersenen: Verwerken van visuele informatie19-02-2024 02:02:12
  33. Oogproblemen bij Multiple Sclerose (MS)19-02-2024 06:02:50
  34. Wisselend zicht bij slechtzienden19-02-2024 05:02:16
  35. Kunnen blinden en slechtzienden lijden aan reisziekte?09-01-2024 07:01:22
  36. Kunnen blinden en slechtzienden ook claustrofobie hebben?14-12-2023 07:12:22
  37. Posttraumatische stressstoornis (PTSS) bij blinden en slechtzienden09-12-2023 03:12:00
  38. Automutilatie (zelfverwonding) bij blinden en slechtzienden09-12-2023 02:12:54
  39. Vervormd zien (metamorfopsie)19-11-2023 07:11:22
  40. Maculagat18-11-2023 04:11:07
  41. Iris (regenboogvlies): Aandoeningen en problemen13-11-2023 06:11:03
  42. Oogzenuw (opticus nervus): Aandoeningen en problemen11-11-2023 04:11:00
  43. Oogbindvlies (conjunctiva): Aandoeningen en problemen11-11-2023 02:11:17
  44. Ooglid / Oogleden: Aandoeningen en problemen11-11-2023 01:11:24
  45. Netvlies (retina): Aandoeningen en problemen11-11-2023 08:11:22
  46. Wetenschappelijke onderzoeken die blinden weer willen doen zien06-11-2023 07:11:28
  47. Foropter: Instrument voor oogonderzoeken en bepalen van oogcorrectie04-11-2023 05:11:50
  48. Pterygium04-11-2023 03:11:56
  49. Pinguecula04-11-2023 03:11:33
  50. Trachoom04-11-2023 03:11:05
  51. Premature retinopathie04-11-2023 03:11:22
  52. Trichiasis04-11-2023 03:11:44
  53. Subconjunctivale bloeding04-11-2023 03:11:02
  54. Hoornvlieslittekens04-11-2023 03:11:11
  55. Scleritis04-11-2023 03:11:46
  56. Oogziekte van Graves04-11-2023 03:11:21
  57. De invloed van hydratatie op de ooggezondheid03-11-2023 03:11:38
  58. Oogontsteking02-11-2023 02:11:48
  59. Oogzenuwontsteking02-11-2023 02:11:32
  60. Oogkasontsteking (orbitale cellulitis)02-11-2023 01:11:01
  61. Nachtblindheid01-11-2023 01:11:32
  62. Hormonale veranderingen en oogproblemen01-11-2023 12:11:06
  63. Oogirritatie01-11-2023 07:11:00
  64. Ooginfarct01-11-2023 07:11:35
  65. Oftalmoplegie (verzwakte of verlamde oogspieren)01-11-2023 07:11:51
  66. Oculaire toxoplasmose01-11-2023 07:11:44
  67. Meibomitis29-10-2023 08:10:19
  68. Hoornvlies: Aandoeningen en problemen met de cornea29-10-2023 03:10:09
  69. Ziekte van Coats29-10-2023 02:10:31
  70. Lagoftalmie (niet kunnen knipperen of ogen niet volledig kunnen sluiten)29-10-2023 02:10:45
  71. Macula-oedeem29-10-2023 02:10:30
  72. Maculapucker29-10-2023 02:10:20
  73. Kleurenblindheid29-10-2023 02:10:30
  74. Keratitis (hoornvliesontsteking)27-10-2023 01:10:02
  75. Coördinatieproblemen bij blinden en slechtzienden26-10-2023 02:10:47
  76. Duizeligheid bij blinden en slechtzienden26-10-2023 07:10:21
  77. Hypertensieve retinopathie25-10-2023 05:10:59
  78. Herpes in het oog (oculaire herpes, oogherpes)25-10-2023 05:10:43
  79. Gordelroos in het oog25-10-2023 05:10:07
  80. Hoornvlieszweer25-10-2023 05:10:14
  81. Hoornvliestroebelingen25-10-2023 05:10:27
  82. Paniekaanvallen bij blinden en slechtzienden25-10-2023 05:10:15
  83. Ziekenhuisinfecties die de ogen kunnen aantasten24-10-2023 11:10:48
  84. Invloed van airconditioning op de ooggezondheid24-10-2023 11:10:57
  85. Hart- en vaataandoeningen bij blinden en slechtzienden24-10-2023 05:10:17
  86. Fluoresceïnekleuring van het oog: Diagnostische hulpmiddel voor oogaandoeningen24-10-2023 05:10:22
  87. Ooginfecties23-10-2023 05:10:46
  88. Eenzaamheid bij blinden en slechtzienden23-10-2023 03:10:04
  89. Hordeolum (strontje): Ooginfectie23-10-2023 07:10:57
  90. Hoornvliesletsels23-10-2023 07:10:30
  91. Usher-syndroom23-10-2023 07:10:04
  92. Hemianopsie: Verlies van gezichtsveld in één of beide ogen23-10-2023 07:10:14
  93. Invloed van melatonine op blinden21-10-2023 01:10:58
  94. Leber Congenitale Amaurose21-10-2023 11:10:18
  95. Sneeuwblindheid21-10-2023 11:10:37
  96. Retinoblastoom (netvlieskanker)21-10-2023 11:10:23
  97. Oogkanker21-10-2023 11:10:08
  98. Halo’s en lichtverblinding21-10-2023 11:10:36
  99. Hoornvliesdystrofie21-10-2023 11:10:59
  100. Hand- en polsklachten bij blinden en slechtzienden20-10-2023 03:10:08
  101. Keratoconus (kegelvormig en dunner hoornvlies)20-10-2023 11:10:46
  102. Scotomen (blinde vlekken in gezichtsveld)20-10-2023 11:10:27
  103. Ptosis (ptose): Afhangend ooglid20-10-2023 11:10:25
  104. Visual snow syndrome20-10-2023 11:10:57
  105. Uveïtis20-10-2023 11:10:13
  106. Lichttherapie bij blinden als behandeling voor melatoninetekort19-10-2023 05:10:29
  107. Scleralenzen: Behandeling van verschillende oogproblemen19-10-2023 04:10:22
  108. Scheelzien (strabisme, strabismus)19-10-2023 07:10:52
  109. Vaak voorkomende oogproblemen en oogziekten bij kinderen19-10-2023 06:10:44
  110. Leber Erfelijke Optische Neuropathie (LHON)18-10-2023 11:10:30
  111. Verziendheid (hypermetropie)18-10-2023 07:10:02
  112. Droge ogen17-10-2023 05:10:51
  113. Kunsttranen17-10-2023 04:10:05
  114. Schouderpijn en schouderklachten bij blinden en slechtzienden16-10-2023 10:10:08
  115. Rugpijn en rugklachten bij blinden en slechtzienden16-10-2023 07:10:02
  116. Nystagmus (onwillekeurige, ritmische oogbewegingen)16-10-2023 06:10:24
  117. Binoculair onderzoek: Onderzoek van samenwerking tussen de ogen14-10-2023 06:10:22
  118. MRI-scan van de ogen: Gedetailleerde beelden van ogen en omliggende structuren14-10-2023 06:10:46
  119. Lichtgevoeligheidstest: Onderzoeken van oogreacties op licht14-10-2023 06:10:06
  120. Biopsie van het oog: Weefsel uit oog verwijderen en onderzoeken14-10-2023 06:10:56
  121. Traanfilmonderzoek13-10-2023 06:10:57
  122. Spleetlamponderzoek (biomicroscopie)13-10-2023 06:10:03
  123. Refractie-onderzoek (oogmeting)13-10-2023 05:10:32
  124. Pupilverwijding (pupildilatatie): Pupil vergroten (meestal via oogdruppels)13-10-2023 05:10:18
  125. Pachymetrie van het hoornvlies: Dikte van hoornvlies meten13-10-2023 05:10:22
  126. Oogspierfunctietest: Bewegingen van oogspieren beoordelen13-10-2023 05:10:33
  127. Oogdrukmeting (tonometrie)13-10-2023 05:10:33
  128. Oogechografie: Gedetailleerde blik op de oogstructuren13-10-2023 05:10:44
  129. Oftalmoscopie (fundoscopie): Diepgaand onderzoek van het oog13-10-2023 05:10:47
  130. OCT-angiografie: Beeldvorming van oogbloedvaten zonder kleurstoffen13-10-2023 05:10:10
  131. Netvliesonderzoek: Afwijkingen of problemen in netvlies opsporen13-10-2023 05:10:02
  132. Kleurentest: Beoordeling van kleurenzicht13-10-2023 04:10:08
  133. Gonioscopie: Beoordeling van de ooghoek13-10-2023 04:10:16
  134. Fundusfotografie: Gedetailleerde beelden van achterste deel van het oog13-10-2023 04:10:50
  135. Fluoresceïne-angiografie: Onderzoek van netvliesbloedvaten met kleurstof13-10-2023 04:10:33
  136. Elektrofysiologische oogonderzoeken: Elektrische evaluatie van de gezondheid van het oog13-10-2023 04:10:44
  137. CT-scan van de ogen en oogkas: Gedetailleerde beeldvorming13-10-2023 03:10:58
  138. Corneatopografie: Gedetailleerde meting van het hoornvlies13-10-2023 03:10:53
  139. Contrastgevoeligheidstest: Oogonderzoek om contrastvermogen te onderzoeken13-10-2023 03:10:33
  140. Biometrie: Oogonderzoek om nauwkeurige oogmetingen te krijgen13-10-2023 03:10:08
  141. Oogzalven: Soorten, gebruik, tips en hulpmiddelen13-10-2023 06:10:58
  142. Netvliesloslating09-10-2023 01:10:45
  143. Onzekerheid bij blinden en slechtzienden08-10-2023 01:10:17
  144. Abnormale hoofdpositie bij oogproblemen08-10-2023 01:10:21
  145. Spierstijfheid, spierpijn en spierspanning bij blinden en slechtzienden08-10-2023 12:10:57
  146. Nekpijn bij blinden en slechtzienden08-10-2023 12:10:36
  147. Burn-out bij blinden en slechtzienden08-10-2023 07:10:34
  148. Ziekte van Stargardt (juveniele maculadegeneratie)07-10-2023 01:10:25
  149. Glasvochtbloeding07-10-2023 11:10:22
  150. Fotopsie: (Licht)flitsen of flikkeringen in gezichtsveld zien07-10-2023 06:10:46
  151. Floaters (mouches volantes): Zwevende deeltjes in gezichtsveld07-10-2023 05:10:04
  152. Psychische oorzaken van tijdelijke of permanente slechtziendheid en blindheid05-10-2023 05:10:55
  153. Pupilgrootte: Miosis (abnormaal vernauwde pupillen) en mydriasis (abnormaal verwijde pupillen)05-10-2023 06:10:56
  154. Retinitis pigmentosa (RP)04-10-2023 04:10:18
  155. Vragen stellen aan je oogarts04-10-2023 01:10:21
  156. Zeer slechtziend en naar de oogarts blijven gaan04-10-2023 12:10:50
  157. Gezichtsveld en gezichtsveldonderzoek03-10-2023 04:10:30
  158. Gevoelens van verlies bij blinden en slechtzienden02-10-2023 05:10:25
  159. Mentale impact van ernstige oogproblemen bij blinden en slechtzienden02-10-2023 02:10:33
  160. Hoofdpijn bij blinden en slechtzienden02-10-2023 05:10:58
  161. Exoftalmie (proptosis) (abnormaal uitpuilende ogen)30-09-2023 02:09:01
  162. Episcleritis30-09-2023 02:09:22
  163. Entropion (onderste ooglid draait naar binnen)30-09-2023 02:09:29
  164. Diplopie (dubbelzien)30-09-2023 02:09:56
  165. Dacryostenose30-09-2023 02:09:24
  166. Visuele hallucinaties30-09-2023 10:09:48
  167. Drugsverslaving en medicatiemisbruik: Effecten op de ogen en ooggezondheid30-09-2023 07:09:24
  168. De invloed van het gebruik van medicatie op de ogen en ooggezondheid30-09-2023 06:09:31
  169. Body Integrity Identity Disorder (BIID): Verlangen om blind te zijn29-09-2023 01:09:30
  170. Omgaan met (constante) veranderende en/of bevende beelden in gezichtsvermogen29-09-2023 11:09:46
  171. Kunnen blinden en slechtzienden hoogtevrees hebben?29-09-2023 07:09:20
  172. Weer (iets) kunnen zien na tijdelijk of permanent blind of slechtziend te zijn geweest29-09-2023 07:09:14
  173. Cytomegalovirus (CMV) retinitis28-09-2023 04:09:49
  174. Convergentie-insufficiëntie28-09-2023 04:09:41
  175. Conjunctivitis (oogbindvliesontsteking)28-09-2023 04:09:14
  176. Computer Vision Syndrome28-09-2023 04:09:01
  177. Coloboom28-09-2023 04:09:55
  178. Chalazion (gerstekorrel aan ooglid)28-09-2023 04:09:25
  179. Cerebrale Visuele Inperking (CVI)28-09-2023 04:09:04
  180. Centrale sereuze retinopathie28-09-2023 04:09:08
  181. Cat Eye Syndroom28-09-2023 04:09:30
  182. ADOA (autosomale dominante optische atrofie)28-09-2023 04:09:50
  183. Bradyopsie28-09-2023 04:09:00
  184. Blefarospasme (overmatig oogknipperen)28-09-2023 04:09:28
  185. Blefaritis28-09-2023 04:09:49
  186. Birdshot Chorioretinopathie28-09-2023 04:09:19
  187. Bijziendheid (myopie)28-09-2023 04:09:46
  188. Astigmatisme28-09-2023 04:09:18
  189. Vermoeide ogen (oogvermoeidheid)28-09-2023 04:09:47
  190. Anoftalmie28-09-2023 04:09:15
  191. Anisocorie28-09-2023 04:09:45
  192. Aniridie28-09-2023 04:09:43
  193. Geen dieptezicht hebben27-09-2023 07:09:19
  194. De impact van luchtvervuiling op de ogen en ooggezondheid26-09-2023 07:09:31
  195. De impact van UV-blootstelling op de ogen26-09-2023 06:09:55
  196. Mineralen en ooggezondheid24-09-2023 03:09:18
  197. Voedingsvezels en ooggezondheid24-09-2023 01:09:24
  198. Antioxidantrijke voedingsmiddelen en ooggezondheid24-09-2023 01:09:48
  199. Bessen en ooggezondheid24-09-2023 01:09:50
  200. Luteïne en zeaxanthine voor ooggezondheid24-09-2023 01:09:18

Laatst bijgewerkt op 4 maart 2024 – 08:55