Visuele categoriegevoelige hersengebieden bij aangeboren blindheid

In het brein van ziende mensen blijken er gebieden te zijn die specifiek gevoelig zijn voor bepaalde visuele categorieën. Deze gebieden maken het mogelijk om in een fractie van een seconde vast te stellen wat er wordt waargenomen. De hersengebieden die de visuele waarnemingen zo snel categoriseren, bevinden zich in de ventrale temporale cortex (kortweg VTC). Deze regio in de hersenschors is net zoals een landkaart opgedeeld in kleinere deelgebieden, die elk verantwoordelijk zijn voor een eigen categorie van waarnemingen: één deel dient om gezichten te herkennen, andere gebieden zijn gevoelig voor objecten, omgevingen of lichaamsdelen. Wetenschappers vragen zich al langer af hoe deze landkaart in de hersenschors ontstaat. Is ze aangeboren of toch het resultaat van visuele ervaring? Om dat uit te zoeken, hebben we de categoriegevoelige hersengebieden onderzocht bij mensen die al vanaf de geboorte blind zijn. Met dit onderzoek wilden we te weten komen of de categoriegevoelige hersengebieden ook kunnen ontstaan wanneer je nooit hebt gezien.

Tijdens het experiment kregen de blinde deelnemers geluiden uit vier categorieën te horen: gezichten (bijvoorbeeld lachen, kussen, lipsmakken), lichaamsdelen (bijvoorbeeld handen klappen, voetstappen), omgevingen (bijvoorbeeld een bos, strand) en objecten (bijvoorbeeld een klok, wasmachine, auto). Ondertussen werd met behulp van een scanner de hersenactiviteit gemeten. Er namen ook ziende mensen deel aan het experiment. Naast de geluiden kregen zij ook nog filmpjes te zien afkomstig uit de vier bovengenoemde categorieën. Zo konden we de categoriegevoelige hersengebieden ook bij de ziende deelnemers in kaart brengen en vervolgens vergelijken met de resultaten van de blinde deelnemers.

Uit de resultaten van het experiment bleek dat VTC ook bij blinde mensen gevoelig is voor categorieën: VTC reageert anders op elk van de vier categorieën. Blijkbaar wordt dit deel van het brein ook bij mensen die nooit hebben gezien, gebruikt om categorieën van elkaar te onderscheiden. Wanneer de hersenactiviteit van VTC tijdens het luisteren naar geluiden werd vergeleken bij blinde en ziende deelnemers, bleek zelfs dat de blinde personen een veel duidelijkere respons hadden in VTC dan de ziende deelnemers. Verder bleek uit de resultaten van het experiment ook nog dat de hersenactiviteit van de blinde mensen succesvol kon voorspellen waar de ziende mensen naar hadden gekeken. Dit wijst erop dat de organisatie van VTC bij blinde en ziende personen grotendeels hetzelfde is. De landkaart van VTC ziet er bij blinde en ziende mensen dus heel gelijkaardig uit.

We kunnen besluiten dat visuele ervaring niet nodig is om de bijzondere gevoeligheid voor categorieën in de visuele hersenschors te ontwikkelen. Toch roepen deze resultaten ook weer nieuwe vragen op. Zo is het onbekend wat er nu precies verwerkt wordt in de VTC van blinde mensen, aangezien geluiden een heel andere vorm van informatie zijn dan visuele input, zoals afbeeldingen en filmpjes.

Job van den Hurk
Marc Van Baelen
Prof. Hans Op de Beeck

Klik hier voor het wetenschappelijke artikel in ‘Proceedings of the National Academy of Sciences of the USA’: http://www.pnas.org/content/early/2017/05/09/1612862114

Wat was het doel van het onderzoek?

In onze studie hebben we onderzocht hoe bepaalde visuele hersengebieden functioneren bij mensen die nooit hebben gezien. We hebben meer bepaald gekeken naar de categoriegevoelige visuele hersengebieden. Uit eerdere studies bij ziende mensen blijkt dat er gebieden zijn in het menselijk brein die specifiek gevoelig zijn voor bepaalde visuele categorieën, zoals gezichten, lichaamsdelen, objecten en omgevingen. Bepaalde gebieden zullen dus vooral actief worden wanneer mensen gezichten zien, terwijl andere gebieden dan weer vooral reageren bij het zien van bijvoorbeeld objecten. Deze categoriegevoelige hersengebieden liggen in de hersenschors (de buitenste laag van de hersenen) van de temporale lobben. De temporale lobben bevinden zich aan de linker- en rechterzijde van de hersenen ter hoogte van de slaap. De categoriegevoelige hersengebieden liggen vooral aan de onderzijde van de temporale lob in de ventrotemporale hersenschors (soms afgekort tot VTC).

Het is nog niet geweten hoe de visuele categoriegevoelige hersengebieden in de ventrotemporale hersenschors ontstaan. Zijn ze aangeboren of toch eerder het resultaat van ervaring? In onze studie hebben we deze hersengebieden onderzocht bij mensen die al vanaf de geboorte blind zijn. We hebben aan de deelnemers geluiden laten horen afkomstig uit de hierboven vermelde categorieën en ondertussen de hersenactiviteit gemeten met behulp van een MRI-scanner. Met ons onderzoek wilden we zo te weten komen of de categoriegevoelige hersengebieden ook kunnen ontstaan wanneer je nooit gezien hebt. We hebben concreet de volgende twee onderzoeksvragen gesteld. Ten eerste wilden we achterhalen of de ventrotemporale hersenschors ook bij blinde mensen categoriegevoelig is. Kan er bij hen voor de vier verschillende categorieën een verschillend patroon van hersenactiviteit worden waargenomen in de ventrotemporale hersenschors? Ten tweede waren we ook in de locatie van de categoriegevoelige hersengebieden geïnteresseerd. Als de ventrotemporale hersenschors categoriegevoelig is bij blinde mensen, liggen de categoriegevoelige gebieden dan op dezelfde plaats bij blinde en ziende mensen?

Hoe verliep het onderzoek?

Er namen 14 blinde en 20 ziende deelnemers deel aan ons experiment. De blinde deelnemers hebben nooit vormen of contouren kunnen waarnemen. Sommigen van hen konden wel nog het onderscheid maken tussen licht en donker, anderen hadden helemaal geen lichtperceptie meer. Bij heel wat oogaandoeningen blijft het echter moeilijk om uit te sluiten dat er toch een korte periode met beperkte vormwaarnememing was vlak na de geboorte. Bij de oogaandoening anoftalmie kan dit wel met zekerheid worden uitgesloten. Bij deze oogaandoening komt het oog niet tot ontwikkeling en kan er dus nooit sprake geweest zijn van visuele waarneming. Er namen drie mensen met anoftalmie aan ons experiment deel. We hebben de gegevens van deze drie deelnemers ook apart geanalyseerd om de resultaten van ons experiment nog beter te onderbouwen.

We hebben een stimulusset ontworpen bestaande uit 16 geluiden voor elk van de 4 categorieën (voor de categorie ‘gezichten’ bijvoorbeeld gelach, voor ‘lichaamsdelen’ bijvoorbeeld handgeklap, voor ‘objecten’ bijvoorbeeld een startende auto en voor ‘omgevingen’ bijvoorbeeld een treinstation). Elk geluid duurde een tweetal seconden. Alle deelnemers luisterden naar deze geluiden terwijl we de hersenactiviteit registreerden. Deelnemers voerden tijdens het scannen ook een taak uit. Met behulp van drukknoppen gaven ze tijdens het beluisteren van de geluiden aan in welke mate twee opeenvolgende geluiden tot dezelfde categorie behoorden. Op die manier konden we ervoor zorgen dat de deelnemers wel degelijk de nodige aandacht hadden voor de geluiden en de categorie waartoe ze behoren. Bij de ziende deelnemers werd de hersenactiviteit ook gemeten terwijl ze naar filmpjes keken (zonder geluid). Het ging om 64 filmpjes die overeenstemden met de 64 categoriespecifieke geluidsstimuli (bijvoorbeeld een filmpje van iemand die lacht, van iemand die in zijn handen klapt, enzovoort). Door het gebruik van de filmpjes konden we de visuele categoriegevoelige hersengebieden bij de ziende deelnemers in kaart brengen en vergelijken met de resultaten van blinde en ziende deelnemers bij het luisteren naar geluiden.

Het meten van de hersenactiviteit gebeurde met behulp van een MRI-scanner. De MRI beeldvormingstechniek werkt op basis van magnetisme. De sterkte van de hersenactiviteit kan indirect worden bepaald dankzij het meten van veranderingen in het zuurstofgehalte van het bloed. De verkregen beelden van de hersenactiviteit zijn opgedeeld in kleine driedimensionale blokjes (met zijden van ongeveer 2 millimeter). Deze blokjes worden volume-elementen of voxels genoemd. Voor elke voxel in het brein kan de sterkte van de hersenactiviteit worden gemeten. Met de MRI-scanner wordt niet alleen de hersenactiviteit in beeld gebracht, maar ook de hersenanatomie. Achteraf worden de beelden van de hersenactiviteit dan bovenop de anatomische beelden geplaatst. Zo kunnen we precies te weten komen waar in de hersenen er activiteit was tijdens het beluisteren van de geluiden en het bekijken van de filmpjes.

Wat zijn de resultaten van het onderzoek?

Om de categoriegevoeligheid van de ventrotemporale hersenschors te kunnen beoordelen, hebben we de gegevens geanalyseerd met een statistische techniek genaamd de multivoxelpatroonanalyse. Dit gebeurde voor elke deelnemer afzonderlijk op de volgende manier. Eerst werden de verzamelde gegevens voor een deel van de aangeboden geluiden ingegeven in een computerprogramma (gebaseerd op een classificatie-algoritme). Dit computerprogramma ging vervolgens op zoek naar patronen in de gemeten hersenactiviteit van een deelnemer. Het leerde als het ware hoe het typische activatiepatroon in de hersenen eruitziet voor een bepaalde stimuluscategorie. Zo zouden bijvoorbeeld vooral de voxels in het voorste gedeelte van de ventrotemporale hersenschors actief kunnen zijn wanneer je gezichtsgeluiden hoort, terwijl vooral voxels in het achterste gedeelte actief zijn bij het horen van objectgeluiden. Na deze leerfase werden de gegevens van het overige deel geluidsstimuli ingegeven in het computerprogramma. Dan volgde de testfase. Het programma analyseert nu telkens de hersenactiviteit van de deelnemer terwijl die één van de geluiden hoorde. Het programma vergeleek dit activatiepatroon met wat het eerder geleerd had en voorspelde dan welke categorie de deelnemer hoorde: gezichten, lichaamsdelen, objecten of omgevingen. Hoe gevoeliger de ventrotemporale hersenschors is voor de vier verschillende categorieën, hoe meer de activatiepatronen in de hersenen voor deze categorieën van elkaar zullen verschillen en hoe gemakkelijker het computerprogramma juiste voorspellingen kan maken. Ook de gegevens verzameld met behulp van filmpjes bij ziende deelnemers werden verwerkt met de multivoxelpatroonanalyse.

Wat kwam er nu uit de multivoxelpatroonanalyse naar voren? Zoals verwacht kon er op basis van de hersenactiviteit in de ventrotemporale hersenschors bijna perfect voorspeld worden van welke categorie de ziende deelnemers een filmpje hadden gezien. Maar ook voor de blinde deelnemers kon boven kansniveau worden voorspeld welke categorie geluiden ze hadden gehoord. Dit wil zeggen dat het computerprogramma in de testfase dus beter presteerde dan wanneer het simpelweg zou gegokt hebben om welke van de vier categorieën het ging. Dit kan alleen maar wanneer de ventrotemporale hersenschors gevoelig is voor de categorie-informatie van de geluiden. Ook bij de drie deelnemers met anoftalmie bleken goede voorspellingen mogelijk. Dit is belangrijk, want van deze deelnemers zijn we absoluut zeker dat ze nooit visuele waarneming hebben gehad, ook niet voor korte tijd vlak na de geboorte. Daarnaast kon ook voor de ziende deelnemers boven kansniveau voorspeld worden welke categorie ze hadden gehoord, maar deze voorspellingen waren significant minder accuraat dan de voorspellingen voor de blinde deelnemers.

Het blijkt dus dat de ventrotemporale hersenschors ook bij de blinde deelnemers categoriegevoelig is. Maar In hoeverre liggen de verschillende categoriegevoelige hersengebieden nu op eenzelfde locatie in de ventrotemporale hersenschors bij blinde en ziende deelnemers? We hebben deze vraag op twee verschillende manieren aangepakt. Ten eerste hebben we opnieuw de multivoxelpatroonanalyse toegepast. Dit keer gebruikte het computerprogramma in de leerfase echter de hersenactiviteit van een blinde deelnemer, terwijl het in de testfase de hersenactiviteit van een ziende deelnemer moest beoordelen. Het computerprogramma leerde eerst wat het typische activatiepatroon is wanneer een blinde deelnemer een bepaalde categorie van geluiden hoort. Vervolgens analyseerde het programma telkens de hersenactiviteit van een ziende deelnemer bij het zien van één van de filmpjes. Het computerprogramma moest dan voorspellen van welke categorie de ziende deelnemer een filmpje zag op basis van wat het geleerd had uit de hersenactiviteit van een blinde deelnemer die geluiden van dezelfde categorieën hoorde. Met andere woorden, het computerprogramma gebruikte de hersenactiviteit van een blinde deelnemer die geluiden hoorde om uit de hersenactiviteit van een ziende deelnemer te kunnen afleiden wat die had gezien. Wat bleek uit de resultaten? De categorieën gezien door de ziende deelnemers konden veelal succesvol voorspeld worden op basis van de hersenactiviteit van de blinde deelnemers. Dit kan enkel als de activatiepatronen in de ventrotemporale hersenschors voor de categorieën overeenkomsten vertonen bij ziende en blinde deelnemers. Een deel van de voxels dat actief is wanneer een ziende deelnemer een gezicht ziet, zal dus ook actief zijn wanneer een blinde deelnemer een gezichtsgeluid hoort (bijvoorbeeld iemand die lacht).

Een tweede manier om de vraag in verband met de ligging van de categoriegevoelige hersengebieden bij blinde en ziende deelnemers te beantwoorden, verliep als volgt. We hebben voor elke voxel in de ventrotemporale hersenschors berekend door welke categorie deze voxel gemiddeld genomen het sterkst werd geactiveerd. Dit deden we afzonderlijk voor de gegevens van de blinde deelnemers en voor de gegevens van de ziende deelnemers. Voor de ziende deelnemers werden verder ook de gegevens op basis van de filmpjes en die op basis van de geluiden apart behandeld. Zo verkregen we drie gemiddelde ‘landkaarten’ van de categoriegevoeligheid in de ventrotemporale hersenschors: een auditieve landkaart voor de blinde deelnemers plus een visuele en een auditieve landkaart voor de ziende deelnemers. Op deze drie landkaarten kunnen we telkens zien waar de voxels met een voorkeur voor een bepaalde categorie zich bevinden. De visuele landkaart voor de ziende deelnemers vertoonde de typische organisatie die reeds gekend is uit eerder onderzoek. Er kunnen duidelijk gezichtsgevoelige, lichaamsdeelgevoelige, objectgevoelige en omgevingsgevoelige gebieden worden afgebakend. De auditieve landkaart voor de ziende deelnemers gaf een veel minder duidelijk beeld. De auditieve landkaart van de categoriegevoeligheid voor de blinde deelnemers bleek globaal gezien wel heel gelijkaardig aan de visuele landkaart voor de ziende deelnemers. Wanneer de samenhang tussen deze verschillende categoriegevoelige landkaarten werd gekwantificeerd (dit wil zeggen, in een getal uitgedrukt door het berekenen van een correlatie), dan bleek de samenhang tussen de auditieve landkaart van de blinde deelnemers en de visuele landkaart van de ziende deelnemers sterker dan de onderlinge samenhang tussen de twee landkaarten van de ziende deelnemers.

Wat kunnen we uit de onderzoeksresultaten besluiten?

De resultaten tonen aan dat de ventrotemporale hersenschors ook categoriegevoelig is bij mensen die al vanaf de geboorte blind zijn: gezichts-, lichaamsdeel-, object- en omgevingsgeluiden wekten een verschillend responspatroon op. Ook de drie deelnemers met anoftalmie vertoonden dit effect, wat betekent dat het niet zomaar te wijten kan zijn aan een eventuele korte periode van visuele waarneming net na de geboorte. Verder blijkt de ligging van de auditieve categoriegevoelige gebieden in de ventrotemporale hersenschors bij blinde mensen globaal genomen overeen te stemmen met de ligging van de visuele categoriegevoelige gebieden bij ziende mensen. Visuele ervaring is dus niet nodig om de typische organisatie van categoriegevoelige hersengebieden in de ‘visuele’ ventrotemporale hersenschors te ontwikkelen. De categoriegevoelige hersengebieden kunnen ook ontstaan wanneer je nooit gezien hebt. De visuele categoriegevoeligheid bij ziende mensen blijkt wel sterker te zijn dan de auditieve categoriegevoeligheid bij blinde mensen. Die auditieve categoriegevoeligheid bij blinde mensen blijkt op zijn beurt dan weer sterker dan de auditieve categoriegevoeligheid bij ziende mensen. Hoewel de organisatie van de ventrotemporale hersenschors bij blinde en ziende mensen dus verschillen kent, blijft de gelijkenis toch treffend. Zo is het bijvoorbeeld frappant dat je op basis van de hersenactiviteit in een ‘visueel’ hersengebied van een blinde persoon die gezichtsgeluiden hoort, het activatiepatroon kan voorspellen voor een ziende persoon die een filmpje van gezichten ziet.

Onze onderzoeksresultaten roepen ook verschillende vragen op. Zo is er de vraag hoe de categoriegevoelige organisatie in de ‘visuele’ ventrotemporale hersenschors ontstaat nu het is aangetoond dat visuele ervaring hiervoor niet noodzakelijk is. Er zijn twee mogelijkheden, ofwel is het ontstaan van een dergelijke organisatie aangeboren ofwel komt ze voort uit een aangeboren organisatieprincipe dat verder wordt gefinetuned door zintuiglijke ervaring tijdens de ontwikkeling. Bij de tweede optie zouden naast visuele ervaring als voornaamste bron van input, ook de andere zintuigen een rol spelen. Wanneer de visuele input dan wegvalt, nemen andere zintuigen het over. Dit sluit aan bij onze resultaten: ook bij ziende deelnemers bleek er gevoeligheid voor categoriespecifieke geluiden te zijn, maar deze gevoeligheid was veel sterker bij de blinde deelnemers. Merk op dat de auditieve hersenactiviteit in de ventrotemporale hersenschors bij zienden ook het gevolg kan zijn van verbeelding. Als ze een geluid horen van iemand die lacht, stellen ze zich dat mogelijk ook visueel voor. Deze verklaring gaat natuurlijk niet op voor de blinde mensen die nooit hebben gezien. Een tweede interessante vraag luidt als volgt: hoe kan bij blinde mensen een visueel gebied worden overgenomen door andere zintuigen? Hoe komt die auditieve informatie daar terecht? Eerder onderzoek toont aan dat er door het ontbreken van visuele input bepaalde veranderingen kunnen optreden in het brein. Dit fenomeen noemen we ‘crossmodale plasticiteit’. Er worden nieuwe verbindingen tussen hersengebieden gevormd of bestaande verbindingen worden versterkt. In de vroege ontwikkeling van het brein verdwijnen normaal gezien heel wat verbindingen omdat ze niet functioneel blijken te zijn. Bij aangeboren blindheid blijft mogelijk een deel van deze verbindingen behouden, wat voor een versterkte link tussen visuele en auditieve hersengebieden zou kunnen zorgen. Een derde vraag die we kunnen stellen, gaat over wat er precies gebeurt in de ventrotemporale hersenschors van blinde mensen, welke informatie er over de categorieën wordt verwerkt. Meerdere opties zijn mogelijk en onderling sluiten ze elkaar ook niet uit. Het kan gaan om de verwerking van auditieve eigenschappen van het geluid, maar ook om meer abstracte zaken zoals vormeigenschappen, betekenis of taal. Het gaat bij blinde en ziende mensen ook niet noodzakelijk om dezelfde invulling, ondanks de gelijkenissen die we tussen de categoriegevoelige organisatie van beide groepen vaststelden.

Tot slot staan we nog kort stil bij de mogelijk klinische relevantie van ons onderzoek. Er wordt momenteel hard gewerkt aan verscheidene technieken waarmee men probeert een beschadigd netvlies te herstellen of te vervangen om zo mensen die blind of slechtziend zijn terug te laten zien. Voorbeelden van deze technieken zijn gentherapie, stamceltherapie en elektronische prothesen. Maar wanneer het netvlies hersteld of vervangen wordt, dan rijst de volgende vraag. Hoe gaan de hersenen om met de nieuwe of verbeterde visuele informatie? Hoe goed kunnen ze zich hieraan aanpassen? Kunnen ze de informatie interpreteren en tot volwaardige visuele waarneming komen? De resultaten van onze studie geven aan dat in een belangrijk deel van de visuele hersenschors een gelijkaardige organisatie aanwezig is bij ziende mensen en mensen die blind zijn vanaf de geboorte. Dit garandeert niet dat bij een herstel van de netvliesfunctie de hersenen meteen raad weten met de visuele input. Maar met het oog op de toekomstige mogelijkheden wat betreft herstel of vervanging van het netvlies lijkt het in elk geval beter dat er een gelijkaardige organisatie in de hersenschors aanwezig is dan een compleet verschillende organisatie. De ventrotemporale hersenschors vervult alvast eenzelfde functie bij ziende en blinde mensen: het verwerken van categorie-informatie.

Al deze vragen tonen aan dat er op heel wat vlakken nog verder onderzoek nodig is!

Job van den Hurk
Marc Van Baelen
Prof. Hans Op de Beeck

KU Leuven
Fac. Psychologie en Pedagogische Wetenschappen
Onderzoekseenheid Brein en Cognitie
Tiensestraat 102 – bus 3711
3000 Leuven
E-mail: Marc.VanBaelen@kuleuven.be

Delen
Share on Facebook0Tweet about this on Twitter0Share on Google+0Share on LinkedIn0Email this to someonePrint this page

  1. Leuvense neurofysiologen vinden nieuwe inzichten over visuele hersenschors02-02-2019 07:02:11
  2. Oogproblemen door hoofdtrauma en hersenschudding29-12-2018 08:12:04
  3. Jongetje mist hersengebied voor zicht maar kan toch zien08-12-2017 06:12:08
  4. Onderzoek naar het netvlies10-11-2017 07:11:26
  5. “We geloven dat de nieuwe techniek Sem zal helpen”06-11-2017 08:11:32
  6. Homonieme hemianopsie17-09-2017 08:09:14
  7. Corrie verliest deels zicht na beroerte, haar man vindt dé oplossing15-06-2017 11:06:31
  8. Bril met dodehoekcamera voor slechtzienden na beroerte15-06-2017 03:06:15
  9. Bij Alzheimer ook alert zijn op visuele beperkingen14-06-2017 10:06:44
  10. “Brent weet al niet meer hoe papa eruitziet”13-06-2017 02:06:18
  11. Dode-hoek-bril12-06-2017 01:06:46
  12. Oogzenuw: Aandoeningen en problemen met de nervus opticus12-06-2017 09:06:10
  13. Visuele categoriegevoelige hersengebieden bij aangeboren blindheid18-05-2017 01:05:22
  14. Oogproblemen bij een beroerte: Schade aan gezichtsvermogen30-09-2016 03:09:20
  15. Nieuwe behandeling voor slechtziendheid na beroerte29-09-2016 01:09:35
  16. Blinden gebruiken extra hersengebied bij Wiskunde19-09-2016 09:09:08
  17. Stuwingspapil: Zwelling oogzenuw door verhoogde hersendruk05-09-2016 03:09:40
  18. Oogproblemen bij de ziekte van Parkinson29-08-2016 12:08:56
  19. Verlamming zesde hersenzenuw: Oogbewegingsstoornis27-05-2016 08:05:28
  20. Blind en toch zien: blindsight10-11-2015 08:11:25
  21. Hersenen verwerken beelden automatisch08-10-2015 09:10:53
  22. Een ander zicht op het gezichtsvermogen22-09-2015 09:09:54
  23. Hersencellen verdwijnen bij langdurige oogziekten22-09-2015 09:09:42
  24. Oog ziet gevaar eerder komen dan de hersenen22-09-2015 09:09:25
  25. Scherp gezichtsvermogen hangt mede af van contrast22-09-2015 09:09:10
  26. ‘Hersengebieden kunnen van functie veranderen’22-09-2015 09:09:56
  27. Hersentraining bij cerebrale blindheid22-09-2015 09:09:38
  28. Het mysterie van sterren voor je ogen22-09-2015 09:09:24
  29. Astronauten lopen kans op oog- en hersenafwijkingen22-09-2015 09:09:09
  30. Oogziekten tasten ook de hersenen aan22-09-2015 09:09:55
  31. Een leugen valt niet af te leiden uit de ogen22-09-2015 09:09:30
  32. Aandacht laat mensen beter zien22-09-2015 09:09:17
  33. Even met de ogen knipperen helpt om informatie te verwerken22-09-2015 09:09:02
  34. ‘Bloedvaten in netvlies voorspellen IQ’22-09-2015 09:09:46
  35. Hersencellen laten blinden ruimtes zien22-09-2015 09:09:30
  36. NextGenVis onderzoekt reacties visuele deel brein op oogziektes en hersenaandoeningen21-08-2015 07:08:40
  37. 3.8 miljoen EU-subsidie voor onderzoek naar aanpassing brein bij oogziektes en hersenaandoeningen28-04-2015 12:04:00
  38. Miljoenensubsidie voor onderzoek naar oogziektes en hersenaandoeningen28-04-2015 12:04:45
  39. Goud & wit of blauw & zwart02-03-2015 09:03:01
  40. Blinden ‘lezen’ geluiden28-01-2015 08:01:11
  41. Vanaf geboorte blind, maar dankzij geluid gezichten kunnen ‘zien’30-12-2014 08:12:17
  42. Beter leren zien na beroerte19-12-2014 01:12:47
  43. “Speed kan een hulp zijn voor bejaarden”07-06-2011 04:06:07
  44. Strakke stropdas kan blindheid veroorzaken28-05-2011 05:05:46
  45. De Bronnikov-methode: “Het directe zien”28-05-2011 05:05:36
  46. De klokvastheid van ons lijf28-05-2011 05:05:57
  47. Hersenstromen geven informatie over de gezichtsscherpte27-05-2011 03:05:53
  48. Nieuwe therapie voor patiënten met gezichtsveldverlies27-05-2011 02:05:25

Laatst bijgewerkt op 18 mei 2017 – 13:41