Slechte start, verrassend goed leven

WOORD VOORAF

Het academiejaar 2000 – 2001 zal voor mij de geschiedenis ingaan als een boeiend, creatief jaar in mijn opleiding tot maatschappelijk assistent. Gedurende deze periode heb ik mijn tijd besteed aan het schrijven van een eindverhandeling. Een eindverhandeling die een punt kan zetten achter drie jaar studie. De belangrijkste momenten uit deze opleiding waren de stage en het schrijven van dit eindwerk. Ze hebben me meer inzicht gegeven in de begeleiding van mensen en mijn functioneren hierin. Ik heb geleerd om te gaan met mijn eigen mogelijkheden en beperkingen. Ik ervoer wat het is om succes te oogsten en hoe het voelt om ontgoochelingen op te lopen. Dit verruimde alleszins mijn zelfkennis.

Zoals gebruikelijk wil ik in dit ‘woord vooraf’ ook een aantal mensen bedanken. Een dankwoordje kan nooit allesomvattend zijn, maar het is alvast een teken van waardering voor al diegenen waar ik in de laatste periode van mijn opleiding tot maatschappelijk werker veel aan gehad heb. Mensen die iets te vertellen hadden, mensen waar ik naar opkeek, mensen die in mij geloofden.

Ik vermeld hier in de eerste plaats Carine Vandersmissen, mijn stage- en eindwerkbegeleider, voor haar deskundige begeleiding, opbouwende kritiek, ondersteuning en blijvend engagement t.a.v. mijn situatie.

Ook had ik veel aan Gerd Hermans, docent practicum en stagebegeleider in het tweede jaar, omwille van haar sterk geloof in mijn capaciteiten, de enorme steun en de openheid die ze mee hielp creëren om aanpassingen te voorzien om desondanks mijn visuele handicap toch de opleiding te kunnen verder zetten.

Het departementshoofd en de docenten van het departement Sociaal Werk stonden steeds voor me klaar als het nodig was. Gedurende de afgelopen drie jaar gaven ze me steeds de kans om mijn diploma te halen. Hun creativiteit en inzet om mee naar praktische oplossingen te zoeken, zal me altijd bijblijven.

Roger Lemmens, mijn werkgever, ben ik erkentelijk voor de drie jaar loopbaanonderbreking die ik kreeg om deze studie aan te vatten.

Ann Vansweevelt, May Wijnants, alle andere collega’s en de bewoners van Home O.L. Vrouw van de Kempen wil ik hier zeker niet vergeten, omdat ik mede dankzij hen kan terugdenken aan een toffe stageperiode.

Een speciale betekenis hadden Karen Goethals, Petra Beyens, Lydia de Vocht en Guy Thys voor mij omdat ik bij hen steeds terecht kon voor een luisterend oor, begrip, hulp en een duwtje in de rug wanneer het allemaal niet vlotte…

Zonder hen zou het me niet gelukt zijn om de eindmeet van mijn studie maatschappelijk werk te halen. Daarom: mensen, bedankt!

Kathleen Van de Ven,
Juni 2001

INLEIDING

Mijn individuele bijdrage aan deze eindverhandeling wil ik graag wijden aan een diepgaandere uitwerking van het handelingsontwerp inzake empowerment. Meer bepaald beschrijf ik mijn persoonlijke visie omtrent het bewerkstelligen van het proces van empowerment bij cliënten door de maatschappelijk werker.
Waarom juist deze keuze? Eigenlijk ligt ze voor mij voor de hand: ik vind het boeiend om samen met mensen op weg te gaan. Samen met hen te gaan zoeken hoe ze zelf de kwaliteit van hun leven kunnen verbeteren. Samen bekijken hoe de cliënt zelf terug stap voor stap de dingen in handen kan nemen om te groeien naar meer zelfbeschikking, naar meer onafhankelijkheid, naar het terug in handen nemen van het eigen leven. Vaak heeft dit te maken met het helpen in gang zetten van een denkproces bij cliënten, waarbij ze zelf diepgaander gaan reflecteren en na verloop van tijd misschien zaken vanuit een andere invalshoek gaan bekijken.

Empowerment lijkt hierbij misschien de ‘gouden sleutel tot succes’, maar eigenlijk is het als de doos van Pandora: je weet wanneer je de doos opentrekt, maar je kan vooraf onmogelijk de duur en de gevolgen ervan inschatten. Dit boeit me aan het beroep dat ik gekozen heb en hierin ligt voor mij ook wel dé uitdaging. Daarom acht ik het noodzakelijk dat er bij de aanvang voldoende garanties zijn dat de begeleider lang genoeg en voldoende intensief met de cliënt zal kunnen samenwerken. Of dit in de praktijk ook altijd werkelijk mogelijk is, laat ik hier in het midden.

Om de cliënt een kans te geven zijn persoonlijk empowermentproces te kunnen realiseren, dient de hulpverlener voldoen aan een aantal basisvoorwaarden. Wie je als hulpverlener bent en wat je aan kennis, vaardigheden en attitude in huis hebt, zegt immers ontzettend veel over de kwaliteit van je hulpverlening. In een eerste deel van de tekst kom ik hierop terug en tracht ik mijn persoonlijke visie weer te geven op de kwaliteiten en basisvaardigheden die volgens mij bij de maatschappelijk werker aanwezig moeten zijn om een bijdrage te kunnen leveren aan het proces van empowerment bij de cliënt.

Daarna probeer ik enkele mogelijke wegen uit te stippelen die de hulpverlener tijdens dit proces kan bewandelen. Ik tracht hier enkele zaken rechtstreeks in verband te brengen met het verwerkings- en aanvaardingsproces van een visuele handicap. Daarbij neem ik mijn persoonlijke situatie onder de loep en beschrijf ik een stukje van mijn eigen empowermentproces. Voor een hulpverlener vind ik het essentieel dat hij of zij hier actief aan werkt; daarom dus een greep uit mijn eigen verhaal als vertrekbasis voor mijn hulpverlening aan cliënten.

In een laatste stuk komen twee concrete cliëntsituaties aan bod, waarin ik de hulpverlening en dan in het bijzonder hun proces van empowerment, zo volledig mogelijk probeer te beschrijven. Om aansluiting te houden bij het eerste deel van dit eindwerk, beperk ik mij tot empowerment van personen met een visuele handicap. Meer bepaald komt hier aan bod welke weg zij samen met een maatschappelijk werker aflegden in de verwerking van hun handicap.

Meer specifiek heb ik het in dit laatste hoofdstuk over de ervaringsdeskundige sociaal assistent. Ik probeer hier te beschrijven hoe ik als visueel gehandicapte maatschappelijk werker hulp verleende aan cliënten die eveneens geconfronteerd worden met een gezichtsbeperking.

HULPVERLENEN, EEN MENSELIJK BEROEP

Ik vraag je
Te leren omgaan met je agressie en verdriet,
Jouw schaduwkant,
En zo de heldere kern in jezelf
Tot leven te laten komen.
Laat je licht schijnen
Op de scheidingslijn
Tussen leven en dood.

Je schaduw zal vluchten
Voor zoveel ongekende liefde in jou
Je pijn, verdriet en eenzaamheid
Zullen smelten in dankbaarheid.

Omdat ik eindelijk jouw andere ik,
Jouw mooie ik
Mag ontmoeten.

Kwaliteitseisen

> Alvorens we het proces van empowerment bij cliënten onder de loep nemen, denk ik dat het belangrijk is om eerst even stil te staan bij de hulpverlener die dit proces helpt bewerkstelligen. Hij heeft hierin een groot aandeel, want hij is diegene waarmee de cliënt op weg gaat. Welke kwaliteitseisen zijn hier belangrijk om het hulpverleningsproces op te starten? Ik ben van mening dat we dit eerst moeten bekijken voordat we kunnen denken aan het versterken van de eigen handelingsmogelijkheden en -competentie van de cliënt.
Wanneer iemand kiest voor een hulpverlenend beroep, moet die volgens mij vooral een goed mens zijn. Hij moet meelevend zijn, begrijpend, stevig in zijn schoenen staan, voldoende authentisch zijn en eerlijk met zichzelf. Wie deze menselijke factoren in huis heeft, is dan ipso facto geschikt om mensen met hulpvragen bij te staan. De menselijke kant is noodzaak; daarnaast is de ontwikkeling van de nodige wetenschappelijke attitudes een noodzakelijke en voldoende voorwaarde om het beroep van maatschappelijk assistent uit te oefenen. Welke zijn nu die factoren die in een minimale dosis aanwezig moeten zijn en die het empowermentproces zullen bevorderen naarmate de hulpverlener ze meer in huis heeft?
Een eerste reeks factoren die bepalend zullen zijn voor het kwaliteitsniveau van een maatschappelijk werker, zijn algemeen-menselijke eigenschappen zoals sensitiviteit, waarnemingsvermogen, intuïtie, stevigheid, engagement, vermogen om te relativeren, beroepsernst, gezond verstand, e.d. Naarmate iemand dergelijke waarden geïntegreerd heeft, zal hij ook beter functioneren als hulpverlener. Tijdens gesprekken met cliënten zijn wij als maatschappelijk werkers immers bezig met het leven van mensen, met de betekenis en met de kwaliteit van iemands leven en niet alleen met iets wat niet goed functioneert en wat ‘herstellingswerk’ vraagt.

Een tweede belangrijke factor is een minimale basisopleiding. Hulpverlenen vergt een wetenschappelijke aanpak en men kan maar functioneren als hulpverlener mits een voldoende wetenschappelijke fundering. De fundering, zoals ik hier de wetenschappelijke basisopleiding noem, is niet direct zichtbaar als men naar een huis kijkt, maar ze is er niettemin de drager van. Toch wil ik hierbij benadrukken dat hulpverlenen een menselijk gebeuren is, wat maakt dat je op bepaalde momenten op een ander kompas moet kunnen varen dan op het kompas van je wetenschappelijke kennis.

Een derde reeks factoren die de kwaliteit van het functioneren als hulpverlener zullen bepalen, zijn de ‘basisvaardigheden’. De kwaliteit van iemands hulpverlening zal stijgen naarmate hij deze basisvaardigheden meer ontwikkeld heeft. Basisvaardigheden zijn enerzijds specifieker dan algemeen menselijke kwaliteiten die ik hoger vernoemde én zijn anderzijds breder en algemener dan specifieke strategieën of technieken die eigen zijn aan een bepaalde school of methodiek. Deze vaardigheden zijn eigenlijk de basiswerktuigen die men nodig heeft om goed hulp te kunnen verlenen en zijn perfect vergelijkbaar met de basiswerktuigen in een ander beroep. Een timmerman bijvoorbeeld moet kunnen werken met een hamer, een tang, een zaag, enz., om het even of hij nu deuren of meubels maakt.

Attitudes van de maatschappelijk werker

Scheppen van ruimte en mogelijkheden

Als maatschappelijk werker moeten we er toe in staat zijn om voor de cliënt een sfeer van ruimte en mogelijkheden te scheppen, een setting waarin de cliënt dingen kan bekijken en kan bevragen; een sfeer waarin gevoelens, ervaringen of verlangens aan bod kunnen komen, waarin voor de cliënt ruimte is om nieuwe dingen te ontdekken in het omgaan met zichzelf, met situaties en met andere mensen.
Volgens mij is er een fundamenteel geloof dat er een alternatief bestaat voor uitzichtloosheid en vastzitten in een situatie. Ik denk dat verschillende attitudes van de maatschappelijk werker hier moeten vermeld worden.

– Open en receptief zijn; b.v. ontvankelijk zijn voor de blik van een cliënt wanneer hij binnenkomt.
– Kunnen luisteren en dingen oppikken, zodat de cliënt zich begrepen voelt.
– Empathisch luisteren, waarbij men ook hoort wat er tussen de regels gezegd wordt en wat de cliënt niet zelf ziet of wat hij moeilijk durft te onderkennen.
– Het spoor van de cliënt kunnen volgen.
– Kunnen accepteren wat er is; respect voor de cliënt en zijn gevoelens. B.v. kunnen accepteren dat de cliënt zijn situatie als uitzichtloos beleeft, zonder de eigen hoop of constructieve instelling op te geven.
– Veiligheid scheppen, waarbij men voldoende sensitief moet zijn voor allerlei details. B.v. schept men voldoende veiligheid door de manier waarop men voor de cliënt zit? – Zichzelf voldoende ‘leeg’ kunnen maken, zodat men maximaal beschikbaar is voor de cliënt. B.v. terwijl ik praat met de cliënt, moet ik de belastingbrief opzij kunnen zetten die ik straks nog moet invullen.
– Opzij kunnen zetten van eigen gevoelens en verlangens. Het doet niets ter zake dat de maatschappelijk werker met deze cliënt een schitterend resultaat wil bereiken.
– Behouden van een professionele afstand. Het tegengewicht voor het ‘aanwezig zijn’ en ‘beschikbaar zijn’ is erover waken dat de professionele afstand tussen cliënt en hulpverlener bewaard blijft.

Het opbouwen van een ondersteunende relatie

Een hulpverleningsgesprek is zeker geen koude, zakelijke bedoening. Het is een menselijke zoektocht. Soms vraagt het van de cliënt ook heel wat moed om die aan te vatten en door te zetten. Onvermijdelijk zal dit proces moeilijke momenten kennen of misschien zelfs vastlopen. Het zal bepalend zijn voor het groeiproces van de cliënt of de hulpverlener al dan niet als een bondgenoot beleefd wordt, die bereid is om samen met de cliënt doorheen dit proces te gaan.

Positief confronteren, directief zijn, suggesties geven, werkhypothesen vormen

Een hulpverlener is niet alleen iemand die volgt en meegaat. Alle mensen beschikken over een krachtige zijde en een receptieve zijde. Ook als hulpverlener zal men op een gegeven moment zijn krachtige kant moeten gebruiken. Dit kan bijvoorbeeld de vorm aannemen van een confrontatie. Confronteren betekent niet: iemand eens goed de waarheid zeggen, maar: elementen aanbrengen die niet overeenstemmen met de visie of de beleving van de cliënt en die op dat moment constructief kunnen zijn om het groeiproces verder te helpen bevorderen. Ik denk dat het soms zo is dat sommige hulpverleners het groeiproces juist afremmen doordat ze alleen maar ontvankelijk en volgend zijn en niet confronterend durven te zijn. Als we spreken over directief zijn dan kan dit bijvoorbeeld betekenen dat men weigert mee te gaan in een negatief of zelfdestructief omgaan met zichzelf.

Een duidelijk contract maken

De relatie tussen een cliënt en een hulpverlener is een werkverband dat door een contract bepaald wordt. Dit contract bevat regels en afspraken om het samenwerkingsverband te bevorderen.
Het contract dat bij het begin van het hulpverleningsproces gemaakt wordt, schriftelijk of mondeling, is de basis waarop men kan terugvallen op momenten dat er allerlei vraagtekens opduiken in de loop van de hulpverlening. Het zal voornamelijk de grenzen aangeven van de samenwerkingsrelatie tussen hulpverlener en cliënt. Bijvoorbeeld: als maatschappelijk werker ben ik tijdens de weekends niet beschikbaar.

De precieze invulling van het contract zal geïnspireerd worden door de persoon van de hulpverlener en zijn visie op hulpverlening. Daarnaast mag zeker niet uit het oog verloren worden dat elk hulpverleningscontract ontstaat door wederzijdse afspraken tussen hulpverlener en cliënt. Ook de hulpvrager heeft een belangrijke medeverantwoordelijkheid hierin. Dit contract zal duidelijkheid moeten scheppen rond volgende punten:

– Eigen verantwoordelijkheid van de cliënt voor stappen en/of beslissingen die hij wel of niet zal nemen.
– Motivatie om op een constructieve manier aan de eigen problemen te werken.
– Praktische afspraken.
– Wanneer en waarvoor is de hulpverlener beschikbaar; wat zijn de grenzen van het engagement van de maatschappelijk werker? – Hoe zal er gewerkt worden?

Kunnen zien en gebruiken van lichaamstaal

Tussen cliënt en maatschappelijk werker gebeurt véél meer dan wat er gezégd wordt. De communicatie via lichaamstaal biedt een hele rijkdom aan informatie, die ontgaat aan de hulpverlener die alleen maar naar woorden en verbale inhouden luistert. Het is voor een maatschappelijk werker een basisvaardigheid om deze lichaamssignalen, zoals b.v. stemverheffing en mimiek, op te pikken en bruikbaar te maken in hulpverleningsgesprekken.
Bijvoorbeeld: Wat vertelt de houding van de cliënt wanneer hij over zijn handicap praat? Wat zegt de blik waarmee de cliënt naar de maatschappelijk werker kijkt wanneer die iets uitlegt? Wat betekent de aarzeling in zijn stem wanneer een bepaald onderwerp aan de orde is? Wat zit er achter een zucht die de cliënt slaakt? Welke boodschap ligt er besloten in stiltes? Enz.

Kunnen gebruiken van eigen intuïtie, beelden, associaties, fantasieën en het onderkennen van de eigen blinde vlekken en valkuilen

Een maatschappelijk werker is geen levenloos wezen. Hij heeft zijn eigen inwendige reactiviteit op wat de cliënt meebrengt en op alles wat binnen het gesprek gebeurt. Die reactiviteit manifesteert zich enerzijds in gedachten en rationele constructies: op de achtergrond denkt de hulpverlener na wat er gebeurt, maakt hij hypothesen die hij later toetst, maakt hij gebruik van zijn theoretische bagage die aansluit bij wat de cliënt zegt.

Anderzijds is er ook een gevoelsmatige reactiviteit: men is geboeid door het verhaal of men vindt het vervelend of men is erg begaan met wat de cliënt voelt, enzovoort. Wanneer men dit register van reactiviteit openhoudt, kunnen allerlei beelden, fantasieën, gevoelsmatige beelden ontstaan, die voor de cliënt bruikbaar kunnen zijn in het voeling krijgen met zijn echte zelf. Op die manier kunnen gevoelens, verlangens, ervaringen die in het halfduister van de ziel verborgen waren geraakt, weer aan bod komen. Bijvoorbeeld: de hulpverlener merkt dat de cliënte voor hem erg moeilijk met haar handicap naar buiten kan en durft komen en er ook met niemand over praat. Anderzijds vertelt ze dat opmerkingen van mensen als ze bijvoorbeeld ergens tegenaan loopt, haar erg raken. Vanuit de ingesteldheid om de cliënt hiermee te helpen omgaan, komt er bij de hulpverlener het beeld van een bal gevuld met vloeistof op. Er komt wel vloeistof in de bal, maar er kan niks uit. Wanneer de cliënte dit hoort, geeft dit haar een gevoel van frustratie, omdat ze ziet dat ze door haar manier van omgaan met de situatie totaal vastgeraakt. Nadien komt er een stukje opluchting, aangezien ze voor zichzelf duidelijker zicht krijgt op wat er hier aan het gebeuren is. Zo komt er toch een gaatje in de bal, waardoor de vloeistof er ook weer terug uit kan.

Eigen associaties van de maatschappelijk werker, eigen beelden en lichamelijke gewaarwordingen kunnen ten gepaste tijde een bron zijn voor het zoeken van de cliënt. Dit is een ander kompas dan het kompas van het weten en het theoretisch denkwerk. Het is vooral een kompas dat men erg selectief moet kunnen gebruiken. Het is immers een terrein waar zoveel dingen te vinden zijn die met de cliënt te maken hebben, als zaken die puur met de maatschappelijk werker te maken hebben, met zijn eigen blinde vlekken, zijn eigen stokpaardjes, zijn eigen projecties, onvervulde verlangens en eigen valkuilen. De cliënt doet geen beroep op hulpverlening om deze dingen voorgeschoteld te krijgen. Het behoort tot de job van hulpverlener dat men tenminste voldoende weet heeft van deze stukken van zichzelf, dat ze een plaats hebben in het zelfbeeld en de zelfkennis. Op die manier is men in staat om bij sommige opkomende beelden en gevoelens onmiddellijk een bordje te plaatsen: “hoort bij mij, is nu niet bruikbaar.”

Het is belangrijk voor iedere hulpverlener om door eigen reflecties meer zicht te krijgen op deze kanten van zichzelf. Dit is een basiswerktuig dat nooit ‘af’ is: naarmate men als maatschappelijk werker een juister beeld heeft van zichzelf, zal men ook kwalitatief zuiverder werk kunnen leveren.

Ervaring

Zoals in ieder beroep is ook de ervaring die men heeft een bepalende factor, die de kwaliteit van de vakman zal bepalen: al smedend wordt men smid. Iemand met twintig jaar praktijkervaring zal minder dwaasheden begaan dan iemand die er pas aan begint. Dit merkte ik reeds gedurende de korte tijd dat ik meedraai in het werkveld. Het volgende vind ik persoonlijk het moeilijkste: men kan maar ervaring opdoen door te beginnen zonder ervaring. Tegenover het gebrek aan ervaring en ‘beroepswijsheid’ heeft de beginnend maatschappelijk werker volgens mij wel het voordeel dat zijn blik meestal nog veel breder is en hij gemakkelijker zal openstaan voor vernieuwende tendensen. Wat volgens mij een remedie is tegen het gebrek aan praktijkervaring, is samenwerken met maatschappelijk werkers die al lang in het vak staan, omdat zij je zaken kunnen leren die niet in cursussen beschreven zijn.

Besluit

In het voorgaande hoofdstuk heb ik geprobeerd om de kwaliteiten en basisvaardigheden van de sociaal assistent uiteen te zetten. Ik ben ervan overtuigd dat de integratie van deze inzichten bij de maatschappelijk werker automatisch tot een betere hulpverlening leidt. Met dit laatste bedoel ik eigenlijk dat het volgens mij bevorderende factoren zijn om het empowermentproces te helpen bewerkstelligen bij de cliënt.
Niet alleen bovenstaande inzichten zijn belangrijk. Eigenlijk zouden ze een geïntegreerd geheel moeten vormen met je eigen persoonlijke ervaring en ontwikkelingsproces. Op deze elementen focus ik in een tweede hoofdstuk.

HET VERWERKEN VAN EEN HANDICAP

Wonen
Mijn lichaam is het huis
Waar m’n gevoelens wonen
Steeds kun je ze in mijn ogen lezen
Ook al schuif ik soms,
Misschien wat onbewust
De gordijntjes dicht.

In mezelf…
Ben ik thuis.

Inleiding

Op mijn stageplaats werd ik geconfronteerd met personen die net als ik een ernstige visuele handicap hebben of langzamerhand ernstig slechtziende geraken. Ik denk uiteindelijk dat je zo’n situaties pas voldoende kan inschatten als je dit ook zelf meemaakt. Ik heb gemerkt dat dit voldoende kunnen ‘vatten van de situatie’ van mijn kant een meerwaarde betekent van mijn hulpverlening naar mijn cliënten toe. Je hebt maar een half woord nodig om elkaar te begrijpen en voor de cliënt is het veel gemakkelijker om zijn gevoelens de vrije loop te laten.
Om hier echter zelf niet in verstrikt te geraken, vond ik het voor mezelf noodzakelijk om mijn eigen verwerkingsproces eens onder de loep te nemen. De weg die ikzelf heb moeten afleggen, betekent voor mij alleen maar een verrijking van de dingen die ik als maatschappelijk werker met een visuele handicap aan cliënten kan meegeven. Als vertrekpunt van de uitwerking van het handelingsontwerp inzake empowerment van cliënten schets ik hier eerst mijn eigen groeiproces, waar ik overigens sterker uitkwam. Ik vind het voor mezelf als dusdanig belangrijk eerst mijn eigen situatie met al zijn emoties te doorwerken, vooraleer ik als ervaringsdeskundige maatschappelijk werker hulp kan gaan verlenen aan mensen die te maken hebben met dezelfde problematiek als ikzelf. Eerder in het voorgaande hoofdstuk gaf ik al aan hoe essentieel dit is om aan goede hulpverlening te kunnen doen. In de cases die ik in een derde hoofdstuk uitwerk, zal ik regelmatig teruggrijpen naar onderstaande tekst omdat die voor mij enigszins een vertrekbasis vormt: ik weet waarover ik het heb.

Een verhaal van vallen en opstaan …

Iemand met een ernstige visuele handicap wordt in zijn eigen omgeving pas ten volle geconfronteerd met zijn beperkingen. Als je altijd normaal of nog redelijk hebt kunnen zien, heb je een visueel beeld van je huis en je stelt je voor daar weer net zo vrij te kunnen rondlopen als altijd. Maar als je langzaam aan blind wordt of bijna niets meer kan zien, lijkt het wel alsof er duizend angels en voetklemmen opgesteld staan. Je breekt je nek over de treden in het tuinpad, je stoot je hoofd tegen de ganglamp en krijgt de half openstaande deur naar de keuken tussen je ogen. Binnen stoot je je schenen tegen de lage tafel en je kunt zelfs je glas water niet meer vinden en als je ernaar tast, stoot je het om en krijg je de inhoud over je kleren. Als je in de badkamer voor de spiegel staat om je haar te kammen, moet je ervaren wat het betekent als zelfs je eigen gezicht er niet meer is. Daardoor kun je gaan twijfelen aan je identiteit. Het verlies van je gezichtsvermogen voelt als het verlies van iemand waarvan je zielsveel hebt gehouden. In het begin kan je het haast niet bevatten, je kunt het zelfs ontkennen door jezelf wijs te maken dat je de dingen om je heen toch nog kunt zien. Je kunt de realiteit nog niet verdragen.
Als je van nature temperamentvol bent, zal je vaak met woede reageren: “Waarom moet mij dit overkomen!?” De situatie van afhankelijkheid waarin je verkeert, kan je tot razernij brengen. Vooral in het begin ervaar je het als vernederend om geholpen te moeten worden met de meest eenvoudige dingen. Ben je eerder een piekeraar, dan kunnen je beperkingen tot wanhoop drijven. Zo zal iedereen weer op zijn eigen wijze reageren, maar verdriet over wat verloren ging, zal iedereen voelen in zo’n situatie. Eerst komt er een tijd van ‘niet weten, niet kunnen’ en je komt tot de ontdekking dat je levenspad onbegaanbaar is geworden. Vooral in het begin heb je de neiging om vaak achterom te kijken. Je herinneringen zijn nog vol van prachtig zien. Kortom: je vat je leven samen in dat ene zintuig waardoor je kon gaan en staan waar je wilde. Ik leerde voor mezelf dat het belangrijk was om de tijd te nemen om verdriet te hebben en het gemis niet te bagatelliseren. Tegelijkertijd bedacht ik ook dat je als mens méér bent dan ogen alleen. Je bent wie je bent, met goede en minder goede eigenschappen. Daarmee moet je verder. Je kunt verder als je een motief hebt om verder te willen.

Voor mezelf stelde ik een heel concreet levensdoel voor ogen. Ik probeerde zo om stap voor stap mijn levensweg terug te hervatten. Ik leerde om te beginnen met kleine dingen, stap voor stap, want je traint je doorzettings- en uithoudingsvermogen niet door grote sprongen te maken met het risico te struikelen en nog meer letsel op te lopen. Door je spullen te ordenen en systematisch dingen te zoeken, kun je jezelf terugvinden zonder de hulp van een ander. Zo’n kleine successen kunnen je bemoedigen weer nieuwe vaardigheden aan te leren om je onafhankelijkheid te herwinnen. Terwijl ik mijn weg vervolgde, vaak met vallen en opstaan, leerde ik ontdekken waar mijn beperkingen liggen, maar ook wat mijn mogelijkheden zijn. Ook daardoor leerde ik mezelf terug te vinden.

Maar ik ondervond vooral dat het leren accepteren van mezelf zoals ik nu ben, dat dit tijd, heel veel tijd zal kosten. Er is werkelijk moed voor nodig om de realiteit onder ogen te zien en ermee verder te gaan. Andere mensen, hulpverleners, literatuur en lotgenotencontact kunnen een steun zijn, maar ik realiseerde me heel sterk dat je het uiteindelijk zelf zal moeten doen met je eigen levensfilosofie en de levenservaring die je hebt opgebouwd. Voor mij is de belangrijkste levensles wel geweest om mijn problemen niet op te kroppen, maar te proberen er met anderen over te praten, met vrienden, maar ook met anderen die mijn situatie kennen en erbij betrokken zijn.

Mijn vorderingen op een pad vol obstakels waren niet steeds even groot, maar dat pad werd langzamerhand beter begaanbaar om tenslotte uit te komen op het grote plein waar het leven van alledag zich afspeelt. Ik stelde me tot doel om zoveel mogelijk deel te nemen aan dat leven en ik durfde langzaam aan terug te vertrouwen op mezelf, maar ook op anderen. Ik nam mijn handicap in eigen handen en ging hem bekijken als een metgezel waar ik mee moet leren leven, in plaats van hem te zien als een enorme struikelblok. Enerzijds denk ik wel dat mijn positie als vrouw het verwerkingsproces gecompliceerder maakt, doordat je een veel samengestelder taak te vervullen hebt. Er worden meer dingen van je verwacht. Daardoor liggen de dingen dieper, gevoeliger. Ik ben er eigenlijk wel stilaan van overtuigd dat je het allemaal wel redt dankzij een enorm doorzettingsvermogen, wilskracht en vindingrijkheid.

Leven met een handicap is als varen op zee

Er zijn mensen die denken dat je alleen de handicap hebt te overwinnen. Ze vergeten dat je in het leven ook andere problemen te verwerken krijgt en dat die vaak versterkt worden door de handicap. Naarmate je je handicap hebt geaccepteerd, zul je gevoelig zijn voor de wijze waarop anderen je benaderen. Als je hebt geleerd om respect te hebben voor het zwakke en het kwetsbare, zul je ook een handicap leren accepteren. Beter dan wanneer je bent opgevoed met een beeld van ‘vooral niet afwijken van de norm’. Deze laatste overtuiging bij mezelf overwinnen, kostte me eigenlijk nog het meeste moeite van al.
Toch denk ik dat het een illusie is dat je een handicap ooit helemaal zal aanvaarden. Gedurende je hele leven moeten omgaan met de gevoelens die je ervaart als je overal letterlijk en figuurlijk tegenaan loopt, is verre van eenvoudig. Sommige dingen zijn volgens mij niet te aanvaarden. In een gesprek had ik het met iemand over het overlijden van zijn zoontje. Dat is iets wat je na verloop van tijd wel een plaats leert geven, maar aanvaarden doe je zoiets niet. Ik heb hier nog heel vaak aan moeten terugdenken … Ik denk dat je een handicap enkel kan aanvaarden als een tot op zekere hoogte geaccepteerde beproeving en dat je ook een stuk kan groeien door de ellende die je doormaakt.

Leven met een handicap blijft voor de meeste personen met een visuele handicap toch als varen op zee. Eigenlijk krijg je nooit vaste grond. Als de zee kalm is, kan je zelf de koers bepalen en als het een poosje voor de wind gaat, lijkt het alsof je je handicap toch hebt aanvaard, maar wanneer er plotseling een storm opsteekt, kan je schip kapseizen, waardoor je schip weer helemaal uit balans geraakt. Je blijft kwetsbaar. Als er tegenslagen komen, lijkt het wel alsof je met je rug tegen de muur staat, omdat de handicap vaak een versterkende factor vormt. Ik merkte dat het op zo’n momenten kan helpen om de problemen te bespreken met situatiegenoten. Zij hebben vaak maar een half woord nodig om je te begrijpen.

Ik ben me ook stilaan gaan realiseren dat de gevolgen van mijn handicap mijn hele leven voelbaar zullen blijven. In elke levensfase ervaar je weer andere beperkingen. Je wordt je daarvan weer bewust als je ermee wordt geconfronteerd. Eén ding heb ik mezelf wel voorgenomen: je moet altijd blijven roeien met de riemen die je hebt om het hoofd boven water te houden. Je traint daarmee je doorzettingsvermogen en je wordt inventiever. Je leert te improviseren en te relativeren. Ik voel zelf dat ik daardoor in positieve zin veranderd ben. Er is iets in mij dat me steeds weer in balans brengt.

Hulpverlening en revalidatie

Uit eigen ervaring merk ik dat veel hulpverleners de confrontatie met mensen die een visuele handicap hebben, uit de weg gaan. Door te verwijzen naar instanties en voorzieningen zoeken zij een excuus voor het niet persoonlijk betrokken zijn bij de persoonlijke ellende van de ander. Het is nu eenmaal gemakkelijker te praten over voorzieningen dan met en over de mens om wie het gaat. Er moet een gezond evenwicht zijn tussen de hulp die voor de visueel gehandicapte persoon onmisbaar geworden is en diens eigen vindingrijkheid en ondernemingsgeest. Ook moet er worden gestreefd naar een balans tussen enerzijds de vele mogelijkheden op het gebied van sociale voorzieningen en anderzijds de al aanwezige en ook de potentiële mogelijkheden van de betrokkene zelf voor het benutten van die voorzieningen.
Bij mensen die hun gezichtsvermogen geheel of nagenoeg hebben verloren, wordt dit evenwicht niet alleen in materiële zin verstoord, maar ook in immateriële zin. De problemen die men ondervindt, liggen enerzijds op het technische vlak: opleidingsmogelijkheden, het verschaffen van de apparatuur en anderzijds meer in het psychologische of filosofische: het aanvaarden van de handicap en de consequenties die daarmee samenhangen.

Het grote verschil in aanleg en karakter uit zich ook in de moeilijkheden, die zowel de betrokkene als zijn naaste omgeving ondervinden, bij het vertrouwd en verzoend geraken met de nieuwe situatie. Derden (o.a. maatschappelijk werkers) die daarbij worden betrokken, kunnen daarbij proberen te helpen. Onze samenleving is tot een zeer gecompliceerd geheel uitgegroeid. Voor de maatschappij bestaat er een collectieve en individuele plicht om compensatiemogelijkheden te bieden voor degenen die niet of onvolledig tot maatschappelijke integratie kunnen komen. Blindheid of een ernstige vorm van slechtziendheid maakt afhankelijk, soms zelfs hulpbehoevend. Soms zal hulp van buitenaf nodig zijn en dat betekent de inmenging van een buitenstaander in de intimiteit van het gezinsleven. Is er geen hulp, dan ontstaan kleine ergernissen en verdriet, wat de sfeer niet ten goede komt.

De handicap treft niet alleen de persoon in kwestie, maar ook de andere gezinsleden. In het bevorderen van wederzijds begrip van beide partijen ligt een belangrijke taak van hulpverleners, in het bijzonder voor gespecialiseerde krachten die hiertoe opgeleid zijn. Voor het slagen van dit proces is het noodzakelijk dat zowel de visueel gehandicapte, als de personen uit zijn naaste omgeving, meewerken.

Revalidatie in de zin van het zich weer waardevol gaan voelen, is méér dan ondanks de handicap weer kunnen functioneren. Het is een veelbewogen proces van integratie van de handicap als resultaat van een diep doorwoelde strijd. En als men dan uiteindelijk zijn situatie leert hanteren, kan dat een bron zijn van levensverrijking. Daaruit kunnen dan zowel de betrokkene, als zijn naaste omgeving en de hulpverleners die zich bij hen betrokken voelen, voldoening en zelfs geluk putten.

Sinds de tachtiger jaren is de dienstverlening aan visueel gehandicapten sterk verbeterd. De wetenschap evolueerde en de kennis inzake oogheelkunde nam toe. De computer opende meer mogelijkheden en maakte zijn intrede in de revalidatiecentra. In het low-vision centrum van het UZ Leuven groeide de opvatting dat er ook aandacht nodig was voor psychosociale begeleiding van patiënten. Advies en voorlichting richten zich niet alleen tot de persoon met een visuele handicap en zijn familie, maar daarnaast wendt men zich ook tot personen en instanties die te maken hebben met slechtzienden en blinden. Ook houdt men zich bezig met onderzoek en revalidatie. Ten einde een revalidatie op te starten, is doorgaans een onderzoek nodig van oogarts en psycholoog, maatschappelijk werker of één van de andere medewerkers. Eén van de mogelijkheden is bijvoorbeeld een low-vision onderzoek.

Een gespecialiseerde medewerker onderzoekt of er optische of elektronische hulpmiddelen zijn waarmee de cliënt beter kan zien, zoals een handloep; een televisie-leesloep of speciale brillenglazen. Daartoe hoort ook een onderzoek naar de juiste verlichting. Andere belangrijke onderdelen van het revalidatieplan kunnen zijn: les in het braillelezen en -schrijven, typen, algemene dagelijkse vaardigheden, zintuigtraining (door weloverwogen met de revalidatie om te gaan, wordt er bewust een appèl gedaan op het trainen van de andere zintuigen), vergroten van de mobiliteit d.m.v. stoklooplessen in de eigen omgeving, huishoudelijke vaardigheden, gebruik van hulpmiddelen en individuele of groepsgesprekken.

Vaak zijn het de gesprekken tot op het bot met situatiegenoten die het verwerken van de handicap helpen bewerkstelligen. De uitvoering van het revalidatieplan is afhankelijk van wat de cliënt wil en kan. De revalidatie kan thuis plaatsvinden via huisbezoeken door de maatschappelijk werker of in erkende low-vision-centra.

Tenslotte is er documentatie beschikbaar die voor blinden en slechtzienden belangrijk kan zijn. Denk aan lectuurvoorziening, vakantiemogelijkheden, belangenverenigingen en sociale voorzieningen. Maatschappelijk werkers zijn beschikbaar om aanvragen en verwijzingen actief te ondersteunen.

Het is nog interessant te bedenken dat de valide mens in normale omstandigheden maar ongeveer één tiende van zijn hersenen gebruikt. Bij personen met een ernstige visuele handicap zou dit oplopen tot veertig procent. Uit noodzaak heb je een beter geheugen ontwikkeld. Je traint je concentratie doordat je meer beredeneerd tewerk moet gaan, b.v. bij het opbergen van je spullen, omdat je die anders niet meer terug kan vinden. Ook moet je je bij het lopen concentreren op je omgeving om je te kunnen oriënteren, je traint minuut na minuut je tastzin. Doordat je minder makkelijk toegang hebt tot geschreven informatie, zul je je geheugen uit noodzaak beter ontwikkelen.

Er zijn mensen die een verbluffend geheugen ontwikkelen voor gegevens waarover ze snel moeten kunnen beschikken, b.v. telefoonnummers. Wanneer je mensen niet meer visueel herkent, ga je je automatisch toeleggen op het herkennen van stemmen en voetstappen. Aan de hand van iemands klankkleur van zijn stem, is het niet zo moeilijk om conclusies te trekken i.v.m. iemands karakter of de stemming waarin hij of zij verkeert. Men kan de obstakelperceptie ontwikkelen en trainen, het vermogen om objecten op afstand waar te nemen. Als je op een weg loopt waarlangs bomen staan, kan je horen wanneer je een boom passeert. Ook het ontwikkelen van de intuïtie is belangrijk en het bliksemsnel trekken van de juiste conclusie waarbij een appèl wordt gedaan op praktisch inzicht. Ook wordt er aandacht besteed aan het zinvol besteden van de vrije tijd, want vaak moet deze opnieuw worden ingevuld.

Toch wil ik hier nog een persoonlijke kritische bedenking neerschrijven. Hulp wordt pas als zodanig aangemerkt wanneer ze concreet aantoonbaar is. Er wordt een te grote waarde gehecht aan materiële ondersteuning in de vorm van hulpmiddelen, voorzieningen en korte trainingen, alsof de handicap daarna niet langer als probleem zou bestaan. Men sluit vaak de ogen voor het individuele verwerkingsproces dat moet worden doorlopen. Dit blokkeert in belangrijke mate het empowermentproces van de visueel gehandicapte persoon, want dan krijgt de cliënt in kwestie onvoldoende erkenning voor zijn problemen. We mogen niet uit het oog verliezen dat daarmee alles begint: luisteren, erkenning, empathie en respect.

Ik denk dat het maatschappelijk werk op dit vlak nog veel werk aan de winkel heeft. Volgens mij is deze hulpverlener goed in staat om te luisteren naar het verhaal met onderliggende verwerkingsproblemen. Hij is tevens getraind om mensen juist door te verwijzen, zowel naar gespecialiseerde professionele hulp als naar lotgenoten. Vaak kan het heel zinvol zijn om de persoon met een visuele handicap in contact te brengen met lotgenoten. Praktijkervaring leert dat mensen met verwerkingsproblemen deze contacten niet hebben of er vaak de energie niet in kunnen steken om hier zelf naar op zoek te gaan. Een bemiddeling hierbij van een hulpverlener kan uiteindelijk voor de persoon met een handicap een enorme steun zijn en tegelijkertijd waardevolle gevolgen hebben.

Hoe afhankelijk of zelfstandig wil je zijn?

Hoe ga je om met je blindheid of slechtziendheid? Gebruik je je handicap als een trofee om anderen naar je hand te zetten, als een excuus om zelf geen initiatieven meer te nemen? Sommige mensen vinden het vanzelfsprekend dat familieleden voor hen zorgen, soms hun hele leven lang. Ze vinden het vanzelfsprekend op anderen te leunen en beslag te leggen op hun tijd en energie. Er zijn ook mensen die in principe zelfstandig willen zijn, maar toch geen weerstand kunnen bieden aan de verleiding om op anderen terug te vallen. En die verleiding is groot. Uit ervaring leerde ik dat als je bepaalde vaardigheden, zoals stoklopen en je begeven in het verkeer, niet bijhoudt, er vaak angst ontstaat om je in zulke situaties te begeven. En je denkt dan: “dit is echt niet te doen voor iemand die zo weinig ziet als ik.” Je eigen overtuiging en wilskracht zijn eigenlijk twee essentiële zaken die aan de basis liggen van een zo zelfstandig mogelijk leven. Blindengeleidehond en witte stok zijn beiden een prima metgezel die heel wat onzekerheid wegwerken.

De verleiding is ook groot om terug te vallen op goedziende huisgenoten wanneer je iets hebt laten vallen. Iemand die kan zien, heeft het zo weer gevonden. Hij overziet de zaak immers in één oogopslag. Toch is het goed om zelf eerst weerstand te bieden aan de verleiding door eerst zelf te gaan zoeken. Doe je dat niet, dan bestaat het gevaar dat je steeds sneller een beroep gaat doen op anderen en dat kan spanningen geven. Ook kan je de ander dan de macht geven je net zolang te wachten op hulp als hij wil. Dat ondermijnt je gevoel van eigenwaarde.

Omgekeerd zijn er ook mensen die liever hun tong afbijten dan dat ze hulp vragen. Vooral zien we dit terug bij slechtzienden, omdat deze afhankelijkheid als een aanslag wordt beleefd op hun zelfrespect. Uit eigen ondervinding weet ik ondertussen dat je het op deze manier zwaar te verduren krijgt met je handicap. Als je voortdurend bezig bent met je handicap te camoufleren, kom je niet meer toe aan jezelf, laat staan aan anderen. Zo word je ook dan beheerst door je handicap. Natuurlijk wil je als volwassene je eigen boontjes kunnen doppen. Het is ook gezond zoveel als mogelijk zelfstandig te functioneren. Het aanleren van uiteenlopende vaardigheden die je daartoe in staat stellen, kosten wel veel tijd en geduld, maar het sterkt je in je gevoel van eigenwaarde. Pas als je je eigen handicap meester bent geworden, leer je pas echt je eigen mogelijkheden en grenzen kennen. Dan leer je pas je eigen zelfstandigheid te vergroten door, daar waar nodig, hulp te vragen, want dit kost heel wat zelfoverwinning.

Empowerment nader bekeken

Dit verhaal is eigenlijk een stuk empowerment. Mijn eigen ervaringen, contacten en het schrijven van bovenstaande tekst brachten bij mezelf een denkproces teweeg, waar ik voor mezelf allerlei zaken uit kan halen. Mijn handicap een plaats geven vraagt tijd. Het is iets dat er gewoon mag zijn. Ik ben wie ik ben, met mijn kwaliteiten en minder goede kanten, zoals iedereen die heeft. Het is niet omdat ik mijn handicap een plaats kan geven, dat mijn omgeving dit kan. De erkenning die ik hierbij mocht ervaren van anderen versterkt enigszins mijn zelfvertrouwen. Eigenlijk was dit geen eenvoudige opdracht, maar door contacten met de juiste mensen die op het juiste moment de juiste vragen stelden, ben ik me veel sterker gaan voelen. Eigenlijk kan je veel leren, vind ik, wanneer je als opgeleide hulpverlener eens mag ervaren wat het betekent aan de kant van de hulpvrager te staan.
Ik ging hierbij voor mezelf de elementen na uit het handelingsontwerp in deel één: Hoe zorgden anderen ervoor om mij tot mijn recht te laten komen? Welke derden, instanties en maatschappelijke instituties werden benaderd om mij aan mijn recht te laten komen? Hoe werden mijn participatiemogelijkheden verruimd? Deze vragen zijn nu voor mij een vertrekbasis om mijn eigen ontwikkelingsproces grondiger te gaan bekijken. De antwoorden hier uitschrijven zou wellicht veel pagina’s vergen. Hopelijk mag bovenstaande tekst voor anderen een aanzet zijn om deze uitdaging eveneens aan te gaan.

Besluit

Leven heeft zin, als je voelt dat je iets waard bent voor jezelf en voor andere mensen.
Leven is een genot, als je je niet anders moet tonen dan je bent.

Leven is een kracht, als de angst voor morgen verdwijnt, als je een realistische toekomst voor je weet.

Leven met een handicap is een gegevenheid met eigen bronnen van pijn en geluk, met een eigen zingeving.

Leven met een handicap is groeien naar aanvaarding, zonder berusting,
in de warmte van een menselijke ontmoeting,
in het licht van de dagelijkse samenleving,
nu en morgen.

TIMMEREN AAN DE WEG

Aan de magistraat
Kom bij mij
Leer me kennen.
Wees niet bang,
Ik heb enkel een handicap.

U bent van harte welkom!
Zodat u zich kan overtuigen,
Hoe ik werk en leef.
U hoeft zich niet te buigen.

Niemand schrijft dit,
Behalve ik.
Kom kijken en beleef.
Hier is duidelijkheid gevraagd!

Ik ben een mens, vrij!
– vrij gevochten! –
– die zelfstandigheid bijt in mij –
– wringt zichzelf in alle bochten.

Luister dan naar getuigen
Of kom mij maar bespieden
Hoe die handicap mijn steentje bijdraagt
In onze valide maatschappij.

U bent van harte welkom!

Inleiding
Een moeilijke jeugd, een scheiding, een handicap, … Ze kunnen je leven grondig verknoeien. Maar voor sommigen zijn ze een stimulans om de toekomst met beide handen aan te pakken en er iets van te maken. Hieronder volgen de verhalen van enkele cliënten waarmee ik te maken kreeg tijdens mijn stageperiode en via vrijwilligerswerk als studente maatschappelijk werk bij de Koninklijke Maatschappij voor Blinden en Slechtzienden in Antwerpen.

Om de privacy van deze mensen te garanderen, zijn de namen en bepaalde gegevens fictief. Hiermee wil ik elke vorm van herkenbaarheid voorkomen. Uit verschillende levensverhalen heb ik de kenmerkende elementen geïsoleerd en die vervolgens gebruikt voor een nieuw verhaal. De afzonderlijke casussen laten zien welke mogelijke problemen de kop kunnen opsteken bij de verwerking van een visuele handicap.

Ik wil hier nog wel de opmerking neerschrijven dat er wel enigszins een verschil bestaat tussen personen die vanaf de geboorte slechtziende of blind zijn en mensen die deze handicap pas op latere leeftijd verwerven. De verwerking loopt anders. De eerste groep weet niet beter: de handicap is er altijd al geweest en men kan zich geen voorstelling maken over wat het betekent om goed te kunnen zien. Van kleins af aan leert men zich gaandeweg aanpassen aan de situatie. Men weet gewoon niet beter dan zich te bewegen in een situatie die er altijd al is geweest. Treedt de gezichtsstoornis plots op en is ze blijvend van aard, dan wordt je leven van het ene op het andere moment helemaal overhoop gehaald. De toestand zal nooit meer zijn zoals vroeger. Welke van de twee situaties het moeilijkst is? Ik weet het niet. Beiden zijn gewoon anders en daardoor niet te vergelijken, denk ik. In onderstaande casussen probeer ik beide situaties met bijbehorende problemen te beschrijven.

Empowerment in de praktijk van het maatschappelijk werk

Empowering – hulpverlening en de waarde van ‘invoegen’

In het eerste deel spraken we over invoegen en enten als centrale begrippen in de maatzorg-methodiek. Deze begrippen zijn echter ook van groot belang binnen een empowermentproces. Voor ik hierop terugkom, wil ik een duidelijk verband weergeven tussen beide termen. Om effectief resultaat te bereiken, mag je ze niet losgekoppeld zien van elkaar. Volgens Vandenbempt moet maatzorg ingebed worden in een bredere dynamiek die het hulpverleningsproces overstijgt: empowerment. Enten wijst op een coöperatieve houding en inzet van de cliënt die bijdraagt tot de kwaliteit van de hulpverlening. De hulpvrager zal er dan in slagen om zijn perspectieven te verbreden en keuzemogelijkheden te verruimen. Hier zijn we dan in feite ook bezig met empowerment, want Vandenbempt schrijft hierover:
“Binnen een hulpverlening die gebaseerd is op empowerment wordt ‘power’ van de cliënt bereikt, wanneer cliënten keuzes maken die hen meer controle geven over de problemen waarmee ze geconfronteerd worden enerzijds en over hun leven in het algemeen anderzijds.”

We komen er echter niet met enten alleen. Invoegen of joining krijgt eerst een plaats in het hulpverleningsproces. Het is de stam waarop alle verdere interventies zijn geënt. Het verwijst naar een ‘hechting, een verbindingsstuk, naar het samenvoegen van onderdelen’. Het verwijst dus met andere woorden naar een gevoel van verbondenheid, genegenheid of waardering. Joining is dus in feite ‘de lijm die het hulpverleningsproces samenhoudt’. Dit vraagt weliswaar een inzet van zowel hulpverlener als cliënt, totdat er een wederzijdse aanpassing plaatsvindt.

Later, bijvoorbeeld, wanneer de cliënt met de begeleider ‘moeilijkere zaken’ bespreekt, is het noodzakelijk om sterker te ‘joinen’. De cliënt zal het immers pas aandurven om door een proces van angst en pijn te gaan, als de hulpverlener goed ‘gejoined’ heeft. Ook in onderstaande cases die ik beschreef, was dit uiterst belangrijk, want praten over de verwerking van een handicap brengt je tot de diepste essentie van jezelf. Het betekent dat je iemand laat binnenkijken in je persoontje. Ik wil nog benadrukken dat dit bij beide cliënten uit onderstaande gevalsbeschrijvingen erg belangrijk is geweest om de problematiek bespreekbaar te maken. In de tekst zelf en de bespreking ervan, kom ik niet meer terug op dit aspect, omdat me dit te ver zou leiden. Beide cliënten kende ik al een hele tijd en praktisch gezien was het onmogelijk om me terug gedetailleerd voor de geest te halen hoe dit proces tot stand gekomen is.

Casestudies

Casus: Peter

Peter was 84 jaar toen ik hem leerde kennen. Een vlotte man die altijd met zijn twee voeten in het leven had gestaan en een carrière in het onderwijs achter de rug had. Hij was een belezen iemand en nog steeds vulde hij zijn dagen door met zijn neus in de boeken te zitten. Een tijd lang had ik geen contact meer met hem, maar na drie jaar zag ik hem terug. Langzamerhand ging zijn zicht achteruit, vertelde hij mij toen ik vroeg hoe het met hem was. Hij vond het vervelend dat hij alsmaar meer dingen moest laten voorlezen, omdat het vergrootglas dat hij bij de opticien had gehaald niet meer hielp. Ik merkte dat hij zich hieraan ergerde.
Door verder te vragen ontdekte ik dat de man, ondanks zijn beperkingen op vlak van mobiliteit, nog heel erg gesteld was op zijn zelfstandigheid. Hij wist dat ik eveneens een visuele handicap had. En dat brak het ijs. Hij vertrouwde me toe dat hij er eigenlijk met niemand over kon praten, omdat hij het gevoel had dat anderen hem helemaal niet begrepen en het wegwimpelden als: “dat hoort nu eenmaal bij de ouderdom.” Ik vroeg hem wat hem ertoe aanzette om dit aan mij toe te vertrouwen. De uitspraak die ik kreeg was: “jij weet wat het betekent en dit maakt het voor mij gemakkelijker om dit te zeggen.” Hij gaf me mee dat erover kunnen praten wel hielp en hiermee spraken we op zijn vraag af dat ik op geregelde tijdstippen langs zou komen.

Hier heb ik onmiddellijk op gereageerd dat het goed is dat hij er tegen mij wel over is begonnen en dat dat een belangrijke stap is. Verder heb ik geantwoord dat hij misschien na verloop van tijd eens kan proberen om het tegen anderen te vertellen. Dit is weer een stap verder in het aanvaardingsproces waar deze cliënt toch ook mee bezig is. In vaktermen van maatschappelijk werkers kunnen we het voorgaande plaatsen onder ‘inzet constructief benoemen.’ Ik voelde aan dat dit voor Peter belangrijk is geweest op dat moment. Na enkele gesprekken merkte ik dat ik voor hem als rolmodel was gaan fungeren.

Zoals eerder gesteld kan dit iemand de kracht geven om te trachten te handelen zoals het ‘model’ dat voor hem zit. Het flitste even door mijn hoofd dat dit één van de vijf functies van een ervaringsdeskundige is.

Na enkele sessies kwam het onderwerp ‘hulpmiddelen’ terug ter sprake. Ik vroeg hem wat hij nog kon lezen. Dit was voor hem moeilijk om uit te leggen. Ik stelde hem voor om eens mee te gaan naar mijn bureau om dit met mijn persoonlijke vergrotingsapparatuur uit te zoeken. Ik gaf hem mee dat elke visuele handicap anders is, afhankelijk van de oogaandoening en dat je enkel door zaken te simuleren, anderen kan laten zien wat kan en wat niet. Op de vraag of hij wist aan welke oogaandoening hij leed, wist hij slechts vaag te antwoorden. Hij kon ook niet vertellen of er nog sprake was van verdere achteruitgang.

Na later opzoekingswerk in zijn dossier bleek het bij hem om maculadegeneratie te gaan, een ernstige aandoening van het netvlies die veelvuldig voorkomt bij ouderen en die uiteindelijk leidt tot volledige blindheid. Ik besloot om dit voor mezelf te houden. Het is eigenlijk aan de arts om zo’n zaken aan een patiënt mee te delen. Met het probleem van de niet aangepaste hulpmiddelen kon ik nog wel iets doen. Nadat we naar mijn bureau waren geweest, had ik voldoende zicht op wat hij nog kon lezen. Hij bleek nog beter te zien dan ik, dus hier zaten ongetwijfeld nog mogelijkheden.

Tijdens ons gesprek liet hij vallen dat hij het vervelend vond dat hij het uur van zijn digitale polshorloge niet meer kon aflezen. Ik introduceerde mijn ‘sprekende horloge’ bij hem en dit viel onmiddellijk in de smaak. Ik stelde voor om ze een week uit te lenen, zodat hij rustig de tijd kon nemen om ze uit te proberen. De dag nadien liep ik bij hem binnen en ik hoorde niks anders dan enthousiaste reacties. Dit was voor hem een hele stap vooruit. Op de vraag of er nog een sterker vergrootglas bestond, kon ik niet meteen antwoorden.

Ik stelde hem voor om een afspraak te maken met de orthoptiste (iemand met een gespecialiseerde opleiding aangaande oogaandoeningen en hulpmiddelen voor blinden en slechtzienden) van het low-vision-centrum in Antwerpen. Ook dit was voor hem een lichtpunt.

Ouderen zijn meestal niet op de hoogte van het bestaan van gespecialiseerde diensten op dit vlak. Ik merkte hier dat enkel al het geven van die informatie naar mijn cliënt toe terug hoop en een zekere sterkte gaf. Hierop volgend telefoneerden we samen naar de desbetreffende dienst om een afspraak te maken voor begin april. Toen uiteindelijk na de raadpleging bleek dat er inderdaad nog hulpmiddelen waren om terug allerhande zaken te lezen, werd zijn vastberadenheid nog groter. De bestelling werd genoteerd. Zijn wilskracht nam toe.

Vervolgens peilde ik of er nog meer praktische zaken waren waar mijn cliënt problemen mee had. Hij haalde hierbij aan dat hij de knoppen van zijn stereoketen niet meer kon bedienen omdat hij de zwarte knoppen niet meer kon onderscheiden van de achtergrond. Om dit probleem van de baan te helpen, leerde ik mijn cliënt kennismaken met fluorescerende reliëfpasta. Dit laatste kan je aanbrengen op allerhande apparaten zodat ze voor personen met een visuele handicap makkelijker bedienbaar worden. Ik werkte hier niet alleen met de kleur op zich, want na verloop van tijd zal hij dit immers niet meer kunnen zien. Met hulp van de ergotherapeute kwamen er in reliëf verschillende figuurtjes in verschillende kleuren op de afzonderlijke knoppen. Ik vertrok hierna vanuit mijn eigen ervaring en leerde mijn cliënt afgaan op zijn gevoel om de toetsen van stoppen, afspelen, enz. te vinden. Dit kostte de nodige oefening, maar nu lukt dit al een stuk vlotter.

Voor Peter ging ‘de wereld van gevoel’ open. Ik merkte ook dat hij er nooit eerder bij stilgestaan had om dingen te voelen i.p.v. er naar te zitten staren tot hij eindelijk het voorwerp voor hem kon onderscheiden. Als hij er nu al mee kan werken, zal later de overgang naar enkel voelen gemakkelijker gaan, omdat we dan niet met iets totaal nieuws moeten beginnen. Tijdens het aanleren van de praktische dingen, hebben we samen veel gepraat over wat dit nu allemaal voor hem betekent. Mijn cliënt gaf aan dat dit voor hem heel waardevol is geweest. Momenteel kan Peter terug zonder hulp zijn hifiketen bedienen en geniet hij weer volop van zijn geliefde klassieke muziek. Af en toe beluistert hij nu ook ingelezen boeken op cassette. Hij is niet meer voortdurend op iemand anders aangewezen om de cassettebandjes om te draaien.

Bespreking van bovenstaande casus

Bovenstaande case is een beschrijving van mijn contacten met deze cliënt gedurende enkele maanden. Alle gesprekken uitschrijven zou te omslachtig zijn, maar toch geeft dit verhaal enigszins een evolutie weer bij Peter. Kort samengevat kan ik stellen dat er een aanzet is gegeven om het psychosociaal functioneren van deze cliënt te verbeteren. Door in eerste instantie over zijn handicap te praten, geraakte hij een aantal zaken kwijt, waardoor er bij hemzelf terug ruimte kwam voor andere zaken. Ten tweede richt ik me op de hulpmiddelen die Peter verkoos aan te schaffen. Beide zaken zorgden er mee voor dat deze cliënt weer bevredigend kan handelen.
Als ik het empowermentproces van deze cliënt uitgebreider bekijk, kunnen hieruit twee elementen naar voor geschoven worden. Wat bij deze cliënt naar mijn aanvoelen het belangrijkst is geweest, is de informatie en de aanschaf van hulpmiddelen om bepaalde dagdagelijkse handelingen en vroeger uitgeoefende hobby’s terug zelfstandig te kunnen uitvoeren. Iets terug zelf kunnen doen, maakt dat de persoon met een gezichtsbeperking opnieuw zelf zaken kan ondernemen en dit versterkt het eigenwaardegevoel. Ik als hulpverlener deed hier wel het aanbod van de verschillende mogelijkheden, aangezien een cliënt die niet steeds allemaal kan kennen, maar hier werd toch een vraaggestuurd aanbod gedaan, omdat de cliënt in de eerste plaats zelf vroeg om hulpmiddelen en in de tweede plaats moesten de hulpmiddelen voor specifieke zaken kunnen worden aangewend, die Peter zelf aangaf. Hij had hier duidelijk een actieve inbreng en zijn zeggenschap en inbreng waren hier gegarandeerd.

Wil hulpverlening en het versterken van de eigen mogelijkheden echt effectief zijn, moeten we hier aandacht voor hebben. Het versterkt al in belangrijke mate de innerlijke kracht van de cliënt voor je wanneer je kan vertrekken vanuit de eigen mogelijkheden die in hem zitten. Ik focuste hier juist op die eigen krachten door naar Peter toe duidelijk aan te geven dat ik merkte dat hij een sterk iemand is die echt wel vooruit wilde, dat hij zijn eigen leven in handen wilde nemen. Kortom, het belang van terug controle te krijgen op zijn situatie kwam duidelijk naar voor.

Als je deze case leest, kan de indruk gewekt worden dat de cliënt enkel de aangeboden informatie hoefde te slikken. In werkelijkheid is hier een langere periode overheen gegaan en gaf ik Peter de tijd om zelf na te denken over zijn ‘ervaring’ met het hulpmiddel en over de eventuele aanschaf van het horloge. Ik gaf het hem een week in bruikleen. Heel bewust wachtte ik af tot hij er zelf over zou beginnen. Hetzelfde geldt voor de suggestie om samen met hem mijn persoonlijke vergrotingsapparatuur uit te testen. Ik liet het aan hem om hierop in te gaan of niet. M.a.w. de keuze werd hier volledig aan hem overgelaten. Immers, bij ‘empowering’ hulpverlening is het juist heel essentieel dat de eigen keuze en het tempo van de cliënt werkelijk gerespecteerd wordt.

Zoals eerder in het eerste deel gesteld werd, zijn hulpbronnen, informatie en ondersteuning belangrijke ‘tools of empowerment. In deze situatie werd er informatie verstrekt rond mogelijke hulpmiddelen. Als hulpbron kunnen we hier de low-vision dienst van de Koninklijke Maatschappij voor Blinden en Slechtzienden beschouwen. Ondersteuning kwam er vanuit mijn contacten met mijn cliënt. Bij de hulpverlening in deze situatie werd ook een andere instantie betrokken, nl. het low-vision centrum. Door de hulpmiddelen die deze dienst kon aanbieden, werden eveneens Peters handelingsmogelijkheden verruimd.

Personen met een visuele handicap hebben het recht om geïnformeerd te worden over de mogelijkheden i.v.m. het gebruik en de aanschaf van hulpmiddelen. Door een afspraak te maken met deze dienst ‘participeert’ deze persoon in feite aan de bestaande voorzieningen. Hier fungeerde ik, maatschappelijk werker, als tussenschakel om de participatiemogelijkheden aan te bieden.

Bij de aanschaf van deze hulpmiddelen werd er belang gehecht aan de vrijetijdsbesteding van Peter. Het is immers een feit dat wanneer je een zinvolle vrijetijdsbesteding hebt, je daar intensief mee bezig bent en hier plezier in ondervindt. Dit leidt de aandacht vaak af van de problemen die je omwille van je handicap ervaart. Hierdoor maak je in jezelf ruimte en energie vrij om andere aspecten van jezelf te ontdekken en verder te kijken dan die handicap alleen.

Een tweede thematiek die ik hier ook wil aanhalen is de betekenis van de eigen ervaringsdeskundigheid van de hulpverlener. Ik vind het zelf in een begeleidingsproces uitermate belangrijk om ‘draden te spannen’ tussen jezelf en de cliënt. Als er geen verbinding is, kan je maar moeilijk verder. Een ‘stevig touw’ in deze cliënt – hulpverlener – situatie is dat hier de maatschappelijk werker, ik dus, heel goed weet wat het betekent om met dat bepaalde gevoel dat met de ervaring van gezichtsverlies samengaat, te zitten. Als je dit oppakt, geraak je dicht bij elkaar. Die ervaringsdeskundigheid, in combinatie met de opgedane kennis tijdens mijn opleiding, vormt een duidelijke meerwaarde. Praktische tips komen meer tot hun recht en worden gemakkelijker aanvaard en overgenomen, omdat de cliënt weet dat een ander hier al ervaring mee heeft en dat die dingen ook werken.

Dit is volgens mij zeker een versterkende factor naar de activatie van de eigen handelingscompetentie van de cliënt, omdat dit iets heeft van: “wat iemand anders met een visuele handicap kan, dat moet mij ook lukken.” Dit is dus duidelijk de factor van het zogenaamde ‘rolmodel’ die hier in het spel is. Het versterkte de verbondenheid tussen mij en hem. Dit had ongetwijfeld zijn invloed op de uit te voeren taken en afspraken. De eerste echte afspraak die er kwam, waren de geregelde gesprekken tussen mij en hem. Het feit dat hij dit zelf vroeg, had invloed op zijn zelfvertrouwen, omdat ik hem onmiddellijk een positieve bevestiging gaf. Het stellen van de vraag werd volgens mij wel enigszins vergemakkelijkt door het feit dat we elkaar al een aantal jaren kennen. We waren vertrokken. Ik merkte dat het samen bepalen van verdere taken en afspraken geleidelijk aan minder stroef verliep. Naar het einde van mijn stage toe werden de contacten iets minder intensief en situeren ze zich op hetzelfde vlak als voor de andere bewoners die er verblijven. Geen contact meer hebben met elkaar is quasi onmogelijk binnen een residentiële setting.

Aan de hand van deze cliëntsituatie wil ik nog verduidelijken dat het proces van aanvaarding van een handicap zich situeert op verschillende niveaus die in elkaars verlengde liggen en elkaar wederzijds beïnvloeden, wat in deze situatie zeker duidelijk op te merken is. Laten we beginnen op louter technisch vlak. Deze persoon vroeg eigenlijk zelf om hulpmiddelen. Hierdoor stelt hij zichzelf in staat om zelfstandiger te functioneren. De vraag naar een onafhankelijker leven kwam al vanuit de persoon zelf. Die hulpmiddelen ziet hij als positief en hij aanvaardt ze als dusdanig. Dit noemen we technische integratie. Hij is minder afhankelijk van anderen, voelt zich hierdoor sterker en zal gemakkelijker naar mensen toestappen en hulp durven vragen aan anderen voor dingen die toch niet lukken. In die interactie met anderen is er de kans om de persoon met een visuele beperking beter te leren kennen en alzo in te schatten wat die persoon kan en niet kan.

Daarnaast leert men als het ware ‘over de handicap heen’ kijken en er is aandacht voor wie die persoon, die toevallig een beperking heeft, is. Dit heet dan sociale integratie. Een derde gegeven, om het proces van empowerment verder te zetten, is de reflexieve integratie. Dit gaat over hoe de persoon met een handicap zijn beperking beleeft. Dit hangt heel sterk samen met de twee voorgaande puntjes. Ik verduidelijk dit hier even.

De beleving en de mate waarin je een beperking voor jezelf verwerkt hebt, hangt volgens mij af van twee zaken. Dankzij allerlei technische en optische hulpmiddelen kan je toch zelf dingen ondernemen. Je opgenomen voelen in de groep, geeft ook een grote voldoening. Deze elementen dragen ertoe bij om je handicap te kunnen aanvaarden. Op zich hebben ze dan weer een enorme invloed op je zelfwaardegevoel en je eigen persoonlijk ontwikkelingsproces. Voornoemde elementen oefenen telkens wederzijds invloed op elkaar uit.

Casus: Anneleen

Met deze situatie kwam ik in contact via de Koninklijke Maatschappij voor Blinden en Slechtzienden in Antwerpen. Deze hulpverlening bood ik niet zelf, maar ik kon ze wel gericht observeren. Ik koos juist deze cliëntsituatie omdat ik naast gebruik van hulpmiddelen nog andere zaken wilde illustreren die een enorme invloed kunnen hebben op het empowermentproces van personen met een visuele handicap.
Anneleen is 23 jaar. Vanaf haar geboorte is ze ernstig slechtziende. Sinds een jaar werkt ze op de pastorale dienst in een universitair ziekenhuis. Door haar handicap zijn de verplaatsingen van de ene naar de andere afdeling geen eenvoudige klus. Toen ze begin van dit jaar in deze werksituatie terechtkwam, moest ze zich zelfstandig kunnen verplaatsen. Dit was niet zo evident omdat ze voordien steeds overal naartoe gebracht werd door haar ouders. Zij reageerden erg overbeschermend en hun dochter had daardoor nooit geleerd om voor zichzelf op te komen. Op deze manier merkten anderen haar handicap ook niet op. Ze probeerde dit gegeven liefst zoveel mogelijk te verstoppen.

Op aanraden van haar oogarts kwam ze bij de Koninklijke Maatschappij voor Blinden en Slechtzienden terecht. Na een gesprek met één van de maatschappelijk assistentes werd al gauw duidelijk dat Anneleen het erg moeilijk had met het aanvaarden van haar handicap én vooral: het duidelijk maken aan de omgeving dat ze slechtziende is. Ze durfde vaak geen hulp vragen. Hierdoor moest ze zich vaak in bochten wringen, waar ze zich uiteindelijk niet goed bij voelde. Aan de andere kant was haar drang naar een zelfstandig leven te groot.

Als je je voorstelt dat het meisje worstelde met allerlei tegenstrijdige gevoelens binnen in zichzelf, was het in eerste instantie niet zo eenvoudig om alles duidelijk op een rij te krijgen. Het zat allemaal te diep en daardoor stelde de maatschappelijk assistente na haar eerste gesprek een doorverwijzing voor naar een psycholoog. Anneleen had behoefte om te praten. Tijdens die gesprekken werd er ook gewerkt rond assertief opkomen voor haarzelf en dit wierp duidelijk zijn vruchten af. Nu, na enkele maanden voelt ze zich een stuk sterker.

Ondertussen liep de begeleiding met de maatschappelijk assistente gewoon door. Samen met Anneleen en haar ouders vond er een gesprek plaats en de gevoelens en gedragingen van beide partijen konden aan bod komen. Door bemiddeling van de hulpverlener werden er afspraken gemaakt waar iedereen zich in kon vinden. De ouders gingen beseffen dat hun goede bedoelingen voor hun dochter in feite een verstikkend effect teweegbrachten. Voor de dochter werd duidelijk dat haar ouders bezorgd waren, maar het goed met haar voor hadden. De frustratie die er eerst was, maakte plaats voor opluchting en hierdoor kwam er ruimte vrij om aan andere zaken te gaan werken. Er werd ook duidelijk met welke overtuigingen deze betrokken mensen zaten.

Vervolgens werd het onderwerp ‘zich zelfstandig verplaatsen’ aangehaald. Een witte stok was zowel voor Anneleen als de ouders iets verschrikkelijks, iets waar je best niet mee uitpakt. De maatschappelijk assistente vertelde hen dat een stok enkel een hulpmiddel is om zelfstandig beter je weg te vinden en dat het voor de meeste ernstig slechtzienden de nodige tijd vraagt om ermee buiten te durven komen. De mobiliteitstrainer van de vereniging startte uiteindelijk met stoklooplessen. Via het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap werd tussenkomst aangevraagd in deze kosten, wat de financiële lasten beperkt. Nu, na vijf maanden kan Anneleen zelfstandig de aangeleerde trajecten afleggen. Ondertussen kijkt ze ook anders naar haar witte stok en beschouwt ze hem als een metgezel die het haar eenvoudiger maakt.

Bespreking van bovenstaande casus

Ook bij bovenstaande situatieschets kan ik het empowermentproces drieledig bekijken. Als eerste ik het psychosociaal functioneren van deze cliënt en het gezin onder de loep. Voor Anneleen was het belangrijk dat de maatschappelijk assistente op een empathische manier erkenning gegeven heeft aan haar problemen, dat ze haar ondersteunde en eveneens de inzet constructief benoemde (b.v. door te zeggen dat ze een hele belangrijke stap zet om met een psycholoog te gaan praten, dat het goed is dat ze haar ouders wil betrekken, enz.).
Open en gericht doorvragen was in deze situatie zeker belangrijk om als maatschappelijk werker voldoende te kunnen inschatten hoe diep de problemen in de persoonlijkheid van haar cliënt verweven zitten. Door de gespreksbegeleiding met de psychologe ging Anneleen zich sterker voelen. Ze leerde voor zichzelf opkomen. Daarna werd op haar vraag aan de maatschappelijk werker haar omgeving betrokken. Hier was het bevorderen van een denkproces bij Anneleen noodzakelijk.

In deze begeleiding is het erg belangrijk geweest dat de beslissing om de ouders te betrekken van de cliënt zelf kwam, omdat de kans op slagen er volledig vanaf hing. De juiste motivatie bij cliënt en omgeving moeten aanwezig zijn om met zulke zaken te kunnen starten. Bovendien is het aan de cliënt om zijn omgeving te motiveren. De hulpverlener kan hier enkel in ondersteunen. Zo’n zaken kan je als hulpverlener niet forceren. Ook hier weer is aandacht voor het tempo essentieel. De cliënt moet de tijd krijgen om zelf te kunnen beslissen of hij dit wil en op welk moment hij er klaar voor is. De keuze is volledig aan de cliënt.

Toen Anneleen daadwerkelijk besliste om haar ouders uiteindelijk uit te nodigen voor een gesprek, was ze zelf verantwoordelijk om de stap te zetten om dit aan haar ouders te vragen. Na het bewuste gesprek, door dingen naar elkaar toe te spelen, kwam er duidelijkheid voor beide partijen en het gezinssysteem ging beter functioneren. De tot nu toe onderhuids aanwezige spanningen werden uitgesproken. De verhoudingen in de relatie tussen dochter en ouders werden uitgeklaard.

Als tweede onderdeel van het empowermentproces kan ik eigenlijk stellen dat er gebouwd is aan een sociaal systeem: het gezin en de onderlinge interacties tussen haar leden. De participatiemogelijkheden van Anneleen werden geoptimaliseerd. Door zaken uit te spreken, krijgt ze nu meer kansen om zelfstandig zaken te mogen ondernemen. Op die manier neemt de afhankelijkheidssituatie af en wordt er benadrukt meer controle te krijgen over het eigen leven. Er komen op die manier voor deze cliënt meer mogelijkheden op vlak van verplaatsing en arbeid. Zonder het voorafgaande gesprek met de ouders zouden de stoklooplessen geen feit zijn geweest. De handelingsmogelijkheden werden in deze situatie mede verruimd door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap aan te spreken inzake de terugbetaling van de prestaties van de mobiliteitstrainer. Zonder deze tussenkomst zou het voor dit gezin financieel niet haalbaar zijn geweest om ermee te starten.

Een derde beïnvloedende factor in het proces van empowerment is hier de benadering van derden (de psycholoog, de maatschappelijk werker en de mobiliteitstrainer), instanties (de Koninklijke Maatschappij voor Blinden en Slechtzienden en het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap) en maatschappelijke instituties (de overheid die financiële middelen ter beschikking stelt en reglementeringen maakt voor personen met een handicap).

Nu, na een aantal maanden begeleiding van dit gezin, bouwt de maatschappelijk werker die in overleg stilaan af. De volgende afspraak noteerde men wel. Vanaf het moment dat de begeleiding stopt, volgt de maatschappelijk assistente de situatie op door jaarlijks een bezoek te brengen aan het gezin.

Wat ik vooral tot uiting heb willen laten komen in bovenstaande casus, is het omgaan met de witte stok. Hoe iemand denkt over zijn witte stok zegt heel veel over hoever iemand met zijn handicap heeft leren leven. Geen voorwerp wordt door personen met een visuele handicap zo geschuwd als de witte blindenstok. In het leven geroepen als een waardevol hulpmiddel om de veiligheid van de blinde of slechtziende te vergroten, zien ze hem slechts als het vernederend merkteken van hun handicap, afhankelijkheid en minderwaardigheid. Niet de witte stok maakt van de gebruiker een gehandicapte, het is de gebruiker zelf die van de witte stok een overwinningsteken maakt van zijn herwonnen zelfstandigheid of een merkteken van ingebeelde minderwaardigheid.

Vooral jongere mensen met een ernstige visuele handicap en zeker ook hun ouders, moeten weten dat zich inschakelen in de samenleving en in het bijzonder in het beroepsleven, een zo groot mogelijke mobiliteit vereist. Ondanks de psychologische inspanning die het ook mij telkens kost om me met mijn taststok alleen op pad te begeven, geeft dit me een zeker gevoel van fierheid en overwinning als ik mijn doel bereik. Uiteindelijk is dit laatste ook nu bij Anneleen het geval. De stimulans vanuit de hulpverlening was hier nodig, maar in zekere zin werd hier toch vraaggestuurd gewerkt omdat de impliciete vraag naar zelfstandige verplaatsing hier verscholen lag.

Het feit dat het meisje als persoon met een visuele handicap niet meer op een begeleider of op haar ouders is aangewezen, maakte haar terug veel zelfstandiger. Het gevoel van afhankelijkheid verdween en maakte terug plaats voor zelfstandigheid. De zelfbeschikking over de alledaagse bestaansvoorwaarden, zoals dit in het eerste deel genoemd werd, kwam terug tot stand. Door het aanleren van bepaalde trajecten, doet de mobiliteitstrainer een beroep op de versterking van de zelfsturende vermogens van de cliënt. Het is immers belangrijk dat de slechtziende persoon terug voldoende vertrouwen leert opbouwen door zich na verloop van tijd weer alleen op straat te begeven.

Een belangrijke factor hierin is dat je dit als persoon met een ernstige gezichtsbeperking na verloop opnieuw in je eentje moet aandurven. Dit proces heb je mits ondersteuning volledig zelf in de hand. Voor personen die omwille van een ernstige gezichtsbeperking plots een witte stok nodig hebben om zich te kunnen verplaatsen, kan het enorm helpen wanneer hulpverleners de eigen krachten van de slechtziende of blinde aanspreken. Ineens geconfronteerd worden met een witte stok is verre van eenvoudig. Je moet over de drempel heen geraken om je ermee op straat te vertonen. Een hulpverlener die je laat voelen van: “dit vraagt tijd, maar ik weet dat je er sterk genoeg voor bent” en “het zal je wel lukken”, is werkelijk een grote stap vooruit.

Eigenlijk denk ik dat je er als persoon met een visuele handicap goed aan doet om je witte stok altijd op zak te hebben. Je weet immers nooit voor welke onvoorziene omstandigheden je kunt komen te staan. Het kan dan hoogst belangrijk zijn je als blinde of slechtziende kenbaar te maken.

Uit contacten met andere personen met een visuele handicap merk ik dat slechtzienden meestal nog een grotere hekel hebben aan de witte of gele stok. Zolang ze zich nog iets of wat behoorlijk op straat kunnen behelpen, is dat begrijpelijk. Maar als je soms ziet hoe ze voetje voor voetje rondschuifelen en sukkelen, dan kun je je toch wel vragen stellen. Als je dan opmerkingen krijgt als: “Kun je niet uitkijken?” of “Je kunt niet lezen zeker!” dan kom je in moeilijke situaties terecht voor jezelf.

Tot slot nog dit: empowerment heeft ook te maken met het laten gelden van je rechten. Veroorzaak je als blinde of slechtziende een ongeval zonder dat je je witte stok droeg, reken dan niet op verzachtende omstandigheden wegens je handicap. Integendeel, het feit dat je je niet als gehandicapte kenbaar maakte, kan tegen je uitgespeeld worden. Word je daarentegen het slachtoffer van een ongeval, dan kan je je rechten geheel of gedeeltelijk verliezen als je geen witte of gele stok droeg.

Wat in deze case eveneens aan bod kwam, is het doorverwijzen naar psychologische hulpverlening. In deze situatie heeft de maatschappelijk werker een belangrijke rol gespeeld. Als hulpverlener kunnen we mensen duidelijk maken hoe belangrijk het is om niet met bepaalde zaken te blijven zitten, maar om erover te praten. Mensen aarzelen vaak om de stap te zetten omdat hun omgeving hierop vaak negatief reageert als gevolg van een m.i. bekrompen maatschappijvisie die leeft rond het beroep doen op psychologische hulpverlening. Heel extreem gesteld ben je psychisch gestoord wanneer je in de problemen geraakt omdat je voor jezelf je gedachten even niet meer kan ordenen. Het is dan aan de hulpverlener om mensen te helpen om over deze drempel heen te geraken en voor zichzelf uit te maken wat goed voor hen is, zonder zich iets aan te trekken van wat anderen zullen denken of zeggen.

Ook dit ganse proces kunnen we plaatsen onder empowerment. Psychotherapie vertrekt vanuit een vertrouwensrelatie tussen hulpverlener en cliënt. Gevoelens staan hier centraal en de behoefte van de cliënt om begrepen te worden. Eigenlijk zou je het kunnen omschrijven als een ontdekkingstocht naar de eigen gevoelens. Door ze te ontdekken, kan de cliënt ze misschien veranderen en ‘een ander mens worden’, zichzelf ontplooien en groeien.

Algemeen kunnen we hier stellen dat er in het proces van empowerment van deze cliënte al veel is gerealiseerd. Ze kan zich terug zelfstandig verplaatsen, wat de afhankelijkheidssituatie kleiner maakt. Op psychologisch vlak, aangaande de aanvaarding van haar handicap, heeft ze belangrijke stappen gezet. Ze heeft het in zekere mate aanvaard om haar witte stok te gebruiken. Ze leerde tevens opkomen voor zichzelf. De relatie met haar ouders is meer uitgeklaard. Kortom: ze kreeg meer vat op haar leefomstandigheden.

Besluit

Ik heb hierboven twee verschillende situaties trachten te beschrijven waarin sprake is van empowerment. Volgens mij is het telkens belangrijk om, vooraleer je aan dit proces gaat werken, als hulpverlener gaat kijken: “Wie is die cliënt die hier voor mij zit? Wat zijn zijn waarden en normen, in welk milieu is hij/zij opgevoed, hoe is het karakter van die persoon, hoe intens en met wie zijn er sociale contacten, hoe worden beroepsleven en vrije tijd ingevuld, hoe zit het met de draagkracht en -last van de persoon die voor me zit?” Dan ontdek je vanzelf ook de positieve krachten van die persoon, wat volgens mij een belangrijke vertrekbasis is om aan zichzelf te werken.
Welke situatie we als hulpverlener ook voor ons hebben, we zullen er steeds met verschillende elementen moeten rekening houden, die elkaar wederzijds beïnvloeden: wie we zijn als hulpverlener, het psychosociaal functioneren van het individu en zijn omgeving, de aanwezige derden, instanties en maatschappelijke instituties en de participatiemogelijkheden binnen instituties en voorzieningen. Elke samenlevingsvorm heeft gevestigde regels om het sociale leven te regelen. Als hulpverlener moeten we hiernaar op zoek gaan. In elke setting zullen andere elementen aanwezig zijn die invloed uitoefenen.

Voor elk individu zal het individueel groeiproces op een ander vlak liggen en het is een feit dat je het aanvaarden van je handicap zelf zal moeten doen. Iemand anders kan dit niet in jouw plaats. Het is volgens mij wel zo dat een hulpverlener je kan helpen om je situatie eens vanuit een andere hoek te bekijken en dan kom je vaak verrassend ver vooruit, als je zelf wil tenminste. Een hulpverlener kan, als het om verwerkingsproblemen gaat, voor jou de zaken niet oplossen, dat moet je zelf doen. Een professional kan ondersteunen, oefeningen geven, aanmoedigen, enz., maar de belangrijkste ingrediënten moet je zelf leveren: de inspanning en de motivatie. Hulpverleners kunnen de stokken aanreiken, maar je moet ze zelf grijpen. Dan pas kan je jezelf omhoogtrekken.

SLOTBESCHOUWING

Empowerment – een proces van groeien en ontwikkelen waar elk individu gedurende zijn ganse leven mee te maken krijgt. De ene is er intensiever mee bezig dan de andere. Dit geldt voor iedereen, professional of niet. Iedereen gaat hierin zijn eigen weg.
Ik ben er inmiddels van overtuigd geraakt dat je leven een extra dimensie krijgt als je de kracht vindt van de relativiteit, de kracht die maakt dat je verder kan gaan. Als je een sprankje levensdrift binnen in jezelf voelt en het de moeite waard maakt om verder te gaan. Ook ik vond dit binnen mezelf en het was voor mij meer dan de moeite waard alles neer te schrijven. Dit individueel deel is daardoor weliswaar een persoonlijk verhaal geworden, waarin ik me bewust kwetsbaar heb opgesteld. Door mijn levenservaring ben ik er inmiddels wel van overtuigd geraakt dat wanneer je dit doet en je gewoon jezelf blijft, dat je dan gemakkelijker binnengeraakt bij mensen. Dit kwam dan ook duidelijk naar voren in de eerste casus. Je laat dan immers zien wie je echt bent. Iedereen heeft immers zijn persoonlijke levensgeschiedenis. Met dit hier neer te schrijven heb ik ook niks te verliezen. Ik ben er alleen ‘rijker’ van geworden. Het heeft me alleszins meer zicht gegeven op mijn kwaliteiten als ervaringsdeskundige maatschappelijk assistente.

Graag sluit ik hier af met een fragment dat ik vorig jaar neerschreef in mijn dagboek.

Als ik iets heb, hoe klein ook, kan ik dit laten groeien om mij de kracht te geven om verder te gaan. En tegen de tijd dat ik op de top ben beland, is deze kleine kracht wellicht uitgegroeid tot iets reusachtigs. Een minuscuul klein zaadje kan door de juiste voeding en na verloop van tijd uitgroeien tot een gigantische oerwoudreus. En zo kan dat wat ik op de top zal zien ook veel belangrijker zijn dan wat ik ooit kon vermoeden. Zelfs al brengt mijn zaadje het niet verder dan een klein vergeet-mij-nietje, dan nog heeft het zijn waarde getoond door mij telkens de moed te geven om verder te gaan. Om pas boven te beseffen dat ook mijn bos vol met oerwoudreuzen staat, iets wat ik beneden in het dal niet kon weten.

Eén ding onthoud ik er voor mezelf toch wel uit: wie al zo vaak in iedere vezel moest voelen, heeft ook de kracht van het allerkleinste kunnen ontdekken. Het is pas als je in het dal met je neus in het gras gedrukt wordt, dat je ook echt ziet dat er daar een kwetsbare wereld bestaat, waar iedereen dagelijks met zijn lompe voeten overloopt.

Straks, in de lente, zal ik in het gras liggen. Dan zal ik niet bang zijn voor de wind. Dan kijk ik naar de bamboe.

GERAADPLEEGDE BRONNEN

Boeken

DEMUYNCK, L., Drijfzand. De strijd van een tienermeisje tegen multiple sclerose. Tielt, Lannoo, 199
STORM, M., Brief aan een onbekende man. Een getuigenis over de verwerking van fysiek geweld. Tielt, Lannoo, 200

TER HAAR, J., Het wereldje van Beertje Lighthart. Weesp, Van Holkema en Warendorf, 199

VANDENBEMPT, K., Op eigen kracht verder. Hulpverlening aan huis bij kansarmen. Leuven, Acco, 200

VYNCKE, K., Ikjes. Nevele, Heemkundige kring, 197

VYNCKE, K. Tijdkruimels. Gent, Katelijn Vyncke, 199

WUYTS, B., Anders maar niet minder. Leven met een handicap. Leuven, Davidsfonds, 199

Cursussen

DEVILLE, A., en STORMS, B, Inleiding tot de sociologie. Sociologie voor maatschappelijk assistenten. Geel, Katholieke Hogeschool Kempen, 199 (niet-gepubliceerde cursus 1ste jaar sociaal werk)
VERHAEGHE, G., Helpen. Grondige beroepsmethodologie. Geel, Katholieke Hogeschool Kempen, 199 (niet-gepubliceerde cursus 2de jaar sociaal werk)

VERHAEGHE, G., Begeleidingskunde. Keuzethema’s. Geel, Katholieke Hogeschool Kempen, 200 (niet gepubliceerde cursus 3de jaar sociaal werk – optie maatschappelijk werk)

Mondelinge bronnen

ADRIAENSEN, H., Mondelinge mededeling. Informeel gesprek, 26 maart 200
HUYSMANS, J., Mondelinge mededeling. Interview, 26 februari 200

Personalia

Heidi Adriaensen is blind vanaf haar geboorte. Ze studeerde orthopedagogiek aan de Katholieke Universiteit Leuven. Momenteel volgt ze nog een opleiding cliëntgerichte psychotherapie. Tevens is ze als psychotherapeute werkzaam in het Centrum voor Geestelijke Gezondheidszorg te Mechelen.
Joke Huysmans is als maatschappelijk assistente – optie maatschappelijk werk – in 1998 afgestudeerd aan de Sociale Hogeschool te Heverlee. Ze is nu twee jaar werkzaam op de sociale dienst van de Koninklijke Maatschappij voor Blinden en Slechtzienden te Antwerpen, een organisatie die sociale en materiële hulp verleent aan personen met een visuele handicap. Voornamelijk situeert haar werk zich binnen de thuisbegeleiding, waar ze veelvuldig te maken krijgt met verwerkings- en aanpassingsproblemen die een visuele handicap met zich meebrengt.

Niet-gepubliceerde werken

VAN DE VEN, K., Stagedoorlichting UZ Leuven. Geel, Katholieke Hogeschool Kempen, 8 januari 200 (stagedoorlichting 3de jaar sociaal werk – optie maatschappelijk werk)
VAN DE VEN, K., Inclusief onderwijs. Levende materie of dode letter? Geel, Katholieke Hogeschool Kempen, 200 (seminariewerkstuk 2de jaar sociaal werk)

Symposium

Naar aanleiding van het TRIS-project en dit eindwerk kreeg ik als ervaringsdeskundige de kans om een uiteenzetting te geven tijdens een symposium in de Fontys Hogeschool te Eindhoven dat handelde over de mate waarin personen met een handicap al of niet kunnen integreren.
VAN DE VEN, K., Van drempels naar vermogen. Lezing, 6 april 200

Tijdschriftartikels

CLAEYS, B., Een moeilijke jeugd, die zwarte periode… Libelle, nr. 9, 22 februari 2001, p.82-8

Bron: Kathleen Van de Ven
Academiejaar 2000 – 2001
Katholieke Hogeschool Kempen
Campus HIKempen Geel
Departement Sociaal Werk

Delen
Share on Facebook0Tweet about this on Twitter0Share on Google+0Share on LinkedIn0Email this to someonePrint this page

  1. Nieuwe EU-regels moeten leven gehandicapten makkelijker maken17-11-2018 08:11:22
  2. Steeds meer discriminatieklachten van mensen met een beperking13-06-2018 08:06:50
  3. Vaker discriminatie van gehandicapten en chronische zieken16-04-2018 07:04:58
  4. Nooit eerder zoveel klachten over discriminatie gehandicapten16-04-2018 07:04:55
  5. De samenleving maakt mij gehandicapt27-02-2018 09:02:07
  6. Ik ben blind en keek naar Taboe: ‘De maatschappij maakt van mijn blindheid een beperking’15-02-2018 11:02:57
  7. Mensen met een beperking? “Noem het zoals het is: handicap”24-01-2018 11:01:39
  8. ‘Zolang televisiemakers een handicap als angstaanjagend beschouwen, komen we nooit verder’19-01-2018 01:01:14
  9. ‘Mensen met beperking slechter af’23-12-2017 09:12:32
  10. VN-verdrag handicap nog onvoldoende geïmplanteerd in Nederland01-12-2017 09:12:06
  11. Advies aanvraag VN-verdrag handicap22-10-2017 10:10:35
  12. Brussels parlement neemt uitgebreidere anti-discriminatiewetgeving aan21-09-2017 02:09:30
  13. EU geeft mensen met beperking vlottere toegang tot smartphones, transport en gebouwen16-09-2017 07:09:12
  14. Mensen met een handicap moeten makkelijker toegang krijgen tot producten en diensten14-09-2017 10:09:26
  15. Nederland laat mensen met een beperking links liggen25-07-2017 02:07:41
  16. Houten – Doel: Iedereen kan meedoen05-07-2017 03:07:24
  17. Opbrengst “Blind voor 1 dag” editie 201705-07-2017 01:07:46
  18. Handicap blijft extra handicap24-06-2017 12:06:54
  19. Overheid moet beter inclusie van mensen met handicap opvolgen23-06-2017 10:06:19
  20. Mensen met een beperking kunnen onvoldoende participeren in de samenleving23-06-2017 05:06:58
  21. Inclusiespiegel Vlaanderen 201623-06-2017 03:06:02
  22. Resultaten crisiscommunicatie bij kwetsbare groepen online23-06-2017 08:06:03
  23. Meer klachten over discriminatie van gehandicapten18-06-2017 03:06:03
  24. De vijf belangrijkste knelpunten voor mensen met een beperking in Nederland15-06-2017 10:06:51
  25. Marina (12) bewijst: blinden kunnen paardrijden, fietsen én vloggen14-06-2017 09:06:51
  26. Blinde man verklapt wat nou het ergst is aan blind zijn14-06-2017 05:06:16
  27. Column “Blind”14-06-2017 03:06:45
  28. Blind autoruiten wassen14-06-2017 03:06:56
  29. “België moet tandje bijsteken voor integratie mensen met een handicap”13-06-2017 02:06:19
  30. Videoverhalen “Zonder grenzen”12-06-2017 04:06:45
  31. Blinden en slechtzienden en hun “bijzondere” activiteiten10-04-2017 01:04:21
  32. “België moet tandje bijsteken voor integratie mensen met een handicap”02-01-2017 06:01:50
  33. ROC mocht blinde vrouw niet afwijzen27-07-2016 08:07:55
  34. Toegankelijkheid voor mensen met beperking geborgd14-07-2016 06:07:28
  35. Nieuw beleid nodig voor mensen met oogaandoening02-06-2016 07:06:39
  36. Wetgeving tegen discriminatie van personen met handicap uitgebreid15-04-2016 10:04:48
  37. ‘Ook invalide moet Senaat in kunnen’13-04-2016 06:04:10
  38. Nieuwe e-module intercultureel werken in de zorg Amsterdam01-04-2016 09:04:45
  39. In Polen vechten visueel gehandicapten voor hun rechten01-04-2016 08:04:49
  40. Historische dag: Tweede Kamer stemt in met VN-verdrag21-01-2016 09:01:57
  41. Kamerdebat VN-Verdrag Rechten voor mensen met een beperking15-01-2016 10:01:33
  42. KNGF Geleidehonden geeft Tweede Kamer sleutel ratificatie VN-verdrag12-01-2016 11:01:52
  43. Behandel mensen met een beperking niet langer apart15-12-2015 09:12:56
  44. VN-verdrag voor mensen met een beperking11-12-2015 07:12:51
  45. Daar zijn geen woorden voor03-10-2015 08:10:17
  46. Overheid nog werk inzake rechten van personen met een handicap01-10-2015 05:10:54
  47. ‘We zijn nog altijd tweederangsburgers’01-10-2015 05:10:54
  48. Contactpersoon voor gehandicapten in alle federale kabinetten en administraties01-10-2015 05:10:54
  49. ‘België schendt VN-regels voor gehandicapten’01-10-2015 05:10:53
  50. Ieder(In) en Platform VG presenteren PR-Team NL voor iedereen01-10-2015 05:10:53
  51. Nederlander: ‘Buurman of collega met handicap geen probleem’01-10-2015 05:10:53
  52. De schaduw van ‘de Rechten van Personen met een Handicap’01-10-2015 05:10:53
  53. Je rechten als persoon met een handicap01-10-2015 05:10:53
  54. Ieder(in) stelt zich voor!01-10-2015 05:10:53
  55. Campagne VN-Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap (VRPH)01-10-2015 05:10:53
  56. Plasterk ‘vergeet’ mensen met handicap in actieplan01-10-2015 05:10:53
  57. Ieder(in) nieuwe koepelorganisatie van mensen met een beperking of chronische ziekte01-10-2015 05:10:53
  58. Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap01-10-2015 05:10:25
  59. iedereeNModel: Wie je ook bent, je kan een voorbeeld zijn!01-10-2015 04:10:26
  60. Georgia Venetakis (27), Meldert01-10-2015 04:10:26
  61. Leefwereld: Exclusief diner met een kus van de kelner01-10-2015 04:10:26
  62. Actrice mag nachtclub niet in met blindenstok01-10-2015 04:10:26
  63. ‘Gemeente Rotterdam discrimineert blind echtpaar’01-10-2015 04:10:26
  64. Wetgeving Gelijke kansen / Gelijke rechten01-10-2015 04:10:28
  65. Discriminatiewetgeving in België01-10-2015 04:10:11
  66. Wetgeving discriminatie en gelijke rechten in België01-10-2015 04:10:43
  67. Honderden rolstoelen palmen Europese wijk in Brussel in01-10-2015 07:10:20
  68. “Willen actief deelnemen aan maatschappij, niet geleefd worden”01-10-2015 07:10:48
  69. Scheiden: Ouderlijk gezag en een beperking hebben23-07-2015 12:07:08
  70. Beperking geen belemmering bij voogdijzaken16-07-2015 02:07:02
  71. Maak kennis met Mentor Support!07-07-2015 07:07:27
  72. ‘Zorgkinderen kunnen ook naar reguliere kinderopvang’26-06-2015 05:06:42
  73. Zo voelt het als je een beperking hebt25-06-2015 08:06:33
  74. Minister Peeters ontmoet blinden en slechtzienden in Middelheimpark23-06-2015 08:06:48
  75. Instemming plan van aanpak VN-verdrag gehandicapten16-06-2015 09:06:41
  76. Europees parlement keurt resolutie over rechten van personen met een handicap goed16-06-2015 06:06:43
  77. Kabinet stemt in met plan van aanpak VN-verdrag rechten van personen met een handicap13-06-2015 07:06:44
  78. Een onzichtbare minderheid03-06-2015 08:06:34
  79. Mensen met beperking nog altijd op grote schaal uitgesloten21-05-2015 06:05:27
  80. Campagne voor gelijke positie gehandicapten trapt af bij de VARA16-05-2015 01:05:18
  81. “Europa werkt mee aan participatie mensen met een beperking”09-05-2015 07:05:55
  82. Horizon College Hoorn discrimineerde blind meisje08-04-2015 06:04:16
  83. Jongeren met en zonder beperking maken clip10-03-2015 08:03:07
  84. Inleven in wereld van blinden – Campagne visuele handicap – VTM Nieuws10-03-2015 08:03:52
  85. Inleven in wereld van blinden – Campagne visuele handicap – VRT Nieuws10-03-2015 08:03:24
  86. Hoe omgaan met blinden?10-03-2015 08:03:20
  87. Gelijke kansen en diversiteitsplan van de Vlaamse Overheid toegelicht en besproken in het parlement25-02-2015 08:02:58
  88. ‘Ik heb een droom’ (door Vincent Bijlo)24-02-2015 07:02:30
  89. Waarom praten mensen op kleinerende wijze tegen mensen met een handicap?09-02-2015 08:02:15
  90. Twee CD&V-raadsleden in OCMW voor de prijs van één04-01-2015 09:01:02
  91. Gehandicapte wordt te veel uitgesloten06-10-2014 08:10:11
  92. België moet meer werk maken van inclusie van personen met een handicap04-10-2014 10:10:02
  93. Inclusieve samenleving27-06-2014 12:06:02
  94. Inclusie in Vlaanderen: Ja, maar niet teveel16-01-2014 04:01:06
  95. Paus over problemen van mensen met een handicap14-01-2014 12:01:48
  96. 3 generaties Deel 329-09-2013 07:09:30
  97. 3 generaties Deel 120-09-2013 04:09:47
  98. “Een handicap kan ook een cadeau zijn”16-09-2013 05:09:24
  99. Grote belangstelling voor allereerste uitreiking Handi-Awards19-05-2013 06:05:19
  100. “Hoog tijd voor een nieuwslezer in rolstoel01-06-2012 07:06:28
  101. Bisdom Breda start project voor meer integratie van mensen met beperking16-01-2012 06:01:30
  102. “Wij komen vaak achteraan”05-06-2011 01:06:24
  103. Bij de jeugdbeweging05-06-2011 01:06:11
  104. Biografie van Gerrie Henderson Elbrink05-06-2011 01:06:11
  105. Als het kind maar een naam heeft – Wat heet anders?05-06-2011 12:06:18
  106. Uit het dagboek – Monique en Robin05-06-2011 12:06:14
  107. Humor slijpt de scherpe kantjes van verdriet05-06-2011 11:06:50
  108. Al twintig jaar actief voor slechtzienden05-06-2011 11:06:08
  109. Évacuez ces îles!05-06-2011 11:06:04
  110. Ontruim het eiland05-06-2011 10:06:18
  111. Lede werkt aan integratie van gehandicapten05-06-2011 10:06:40
  112. Integratie op de arbeidsmarkt05-06-2011 10:06:27
  113. Integratie in het onderwijs05-06-2011 10:06:07
  114. Integration in the education system05-06-2011 10:06:34
  115. Integration on the labour market05-06-2011 10:06:03
  116. Integratiedoelstellingen rond blinde en slechtziende personen05-06-2011 10:06:38
  117. Integratie van gehandicapten05-06-2011 10:06:49
  118. Stijlvol schrijven over mensen met een handicap05-06-2011 10:06:23
  119. Charter voor integratie van gehandicapten05-06-2011 10:06:10
  120. Slechte start, verrassend goed leven05-06-2011 10:06:05
  121. Europa heeft 12 miljoen euro veil voor integratie gehandicapten29-05-2011 12:05:50

Laatst bijgewerkt op 1 oktober 2015 – 10:29