Sla de navigatie over en ga naar de inhoud
Home Nieuw Over mezelf Geleidehond Ooginfo Hulp Omgangstips 100 vragen Artikels Video's Blindenscheurkalender Facebook PC/Internethulp (BlindSupport) Gastenboek Links Contact Sitemap
Ooginfo voor Belgen Belgische vlag
Ooginfo voor Nederlanders Nederlandse vlag
Inleiding zien
Wat is Blind/Slechtziend?
Zientraining
Bouw & werking van het oog
Optisch systeem
Visuele baansysteem
Accommodatie
Visus/Gezichtsscherpte
Refractieafwijkingen
Gezichtsveld
Diepte zien
Kleuren zien
Verlichting
Lezen
Kijkstrategieën
Oogziektes
Oogonderzoeken, algemene ooglinks en vakliteratuur
Visus-woordenboek

BlindSurfer, toegekend op 15 december 2002
BlindSurfer, toegekend op 15 december 2002



     

Zien: Verlichting

1. INLEIDING

2. VOORKOMING VERBLINDING / LICHTHINDER

3. BEGRIPPEN ROND VERLICHTING
3.1 Luminantie
3.2 Verlichtingssterkte
3.3 Contrast

4. SCHEMA AANBEVOLEN VERLICHTINGSSTERKTES
 

***

1. INLEIDING

We zien bij de gratie van licht; in het pikkedonker zien we niets.

De behoefte aan licht loopt op met de leeftijd.  Een persoon van 60 jaar heeft 10 keer zo veel licht nodig als iemand van 20 jaar.  Licht heeft een duidelijke invloed op de contrast- en kleurwaarneming.

Voor slechtzienden geldt dat de behoefte aan licht zeer individueel bepaald dient te worden.  Er zijn geen algemene richtlijnen te geven in de zin van 'ieder persoon met cataract heeft behoefte aan veel warm licht'.  De ene slechtziende ziet het beste bij extra veel licht, de andere functioneert juist beter bij een laag lichtniveau.

Een goede verlichting kan de visuele mogelijkheden van een slechtziende vergroten, een slechte verlichting kan een negatief effect hebben.  Verkeerde verlichting kan bij langdurig gebruik leiden tot klachten over hoofdpijn, overmatige vermoeidheid of een branderig gevoel achter de ogen.  Storende elementen moeten dus zoveel mogelijk worden voorkomen.  We noemen hier bijvoorbeeld te weinig of te veel licht en hinder van direct licht of reflecties.

Het verrichten van visuele taken bij een te lage verlichtingssterkte kan wel leiden tot vermoeidheid maar niet tot oogbederf.

Het is belangrijk te onderzoeken welke kleur en welke hoeveelheid licht een optimaal visueel functioneren mogelijk maken.  Daarbij moet worden bepaald bij welke verlichting men het beste ziet en bij welke verlichting men zich het prettigst voelt, zodat het ook gedurende langere tijd is vol te houden.

Soms spreken de uitkomsten van deze bepalingen elkaar tegen en zal er dus een keuze gemaakt moeten worden: wilt u zo goed mogelijk zien, of wilt u een comfortabele situatie creëren?  Deze keuze zal vaak van de taak en de situatie afhangen: gaat het om presteren of om ontspannen?

We kunnen onderscheid maken tussen algemene of basisverlichting enerzijds en werkplek- of taakverlichting anderzijds.

De basisverlichting maakt het mogelijk om zich goed voort te bewegen en te oriënteren in een ruimte.  De werkplekverlichting maakt het mogelijk om details te zien, zoals tijdens lezen, handwerken, snijden van groenten, etc.

Voor het verrichten van taken waarbij een groter beroep wordt gedaan op het detail- zien heeft men in het algemeen meer licht nodig dan voor de 'grovere' taken.

Voor de algemene verlichting geldt in het algemeen dat deze zo egaal mogelijk dient te zijn, zodat geen donkere hoeken of schaduwwerkingen kunnen ontstaan, omdat anders een voortdurende aanpassing van het oog wordt gevraagd.

Dit kan bereikt worden door het aanbrengen van meerdere lampen.

De uiteindelijke lichtsfeer wordt niet alleen bepaald door de aangebrachte hoeveelheid licht, maar ook door de omgeving: in een ruimte waar veel donkere meubels staan en een donkere vloerbedekking ligt, is het effect heel anders dan in een lichte ruimte met lichte meubels.

De plek waar men vaak zit (met name als het gaat om een bureauopstelling) dient zodanig ten opzichte van ramen en armaturen geplaatst te zijn, dat geen hinder kan ontstaan van direct of indirect invallend licht.

De plaatsing van een beeldscherm dient zodanig te zijn dat geen hinder kan ontstaan van reflecties van armaturen en daglicht vanaf het beeldscherm.

Daarbij is het belangrijk een werkplek zodanig te kiezen dat er zich geen hinderlijk licht (b.v.  uitstralende armaturen) in het gezichtsveld bevindt.

Ook moet men proberen reflecties vanaf grote gladde of glimmende oppervlakken te voorkomen.

Hinderlijk daglicht kan men weren door middel van een goede zonwering (zonnescherm, horizontale of verticale lamellen, vitrage etc.).

Wanneer men snel last heeft van (fel) zonlicht kan men gebruik maken van een goede zonnebril, pet of zonneklep.  Er bestaan ook filters die ook het licht aan de zijkant en bovenkant afschermen in de vorm van achterhangers of overzetbrillen.

Terug naar boven

 

2. VOORKOMING VERBLINDING / LICHTHINDER

Om verblinding / lichthinder te voorkomen, moeten we dus op de volgende punten letten:

* het voldoende afschermen van de lichtbronnen in de kijkrichting;
* het contrast tussen lichtbron en achtergrond zo klein mogelijk maken (geen heldere lamp of lampenkap tegen een donkere achtergrond plaatsen);
* storende lichtbronnen buiten het gezichtsveld plaatsen.  Lees- en werkplekverlichting niet vóór, maar naast of boven de gebruiker plaatsen;
* het oppervlak van werktafels zo mat mogelijk uitvoeren.  Bijvoorbeeld geen glazen tafelblad, geen glimmende toetsen op een toetsenbord;
* niet met het gezicht naar het raam gekeerd gaan zitten.

Steeds geldt dat we het licht dáár moeten brengen waar we het nodig hebben.

Voor de werkplekverlichting kan gekozen worden uit vele verschillende soorten armaturen.  Bij het maken van de keuze moet men vooral letten op de lichtopbrengst en de mate waarin het licht gespreid wordt.  Ook is het bij de werkplekverlichting zeer belangrijk voor een goede afscherming van de lichtbron te kiezen, om te voorkomen dat men direct in het licht kan kijken.  Hinderlijke reflecties van het papier (b.v.  bij glimmende tijdschriften) dienen vermeden te worden, door de armatuur zodanig op te stellen dat het gereflecteerde licht niet op het gezicht kan schijnen.

Bij gebruik van een bureaulamp in combinatie met een concepthouder moet men er voor waken dat het licht van de lamp ook niet op het beeldscherm reflecteert.

In de keuken is het belangrijk goed licht op de handen te hebben, b.v.  bij het werken aan het aanrecht.  Wanneer men alleen kan beschikken over een lamp aan het plafond, staat men zichzelf vaak in het licht.  Door TL-buisjes onder de bovenkastjes te plaatsen, zorgt men voor genoeg licht op de handen.

Algemene verlichting en werkplekverlichting moeten in de juiste verhoudingen gebruikt worden.  In het algemeen geldt dat een optimale situatie ontstaat wanneer er sprake is van een verhouding van 1 staat tot 3 staat tot 10 (1:3:10) tussen de lichtniveaus van respectievelijk de wijde omgeving, de naaste omgeving en de directe werkplek.  Voor slechtzienden kunnen de verhoudingen 1:3:5:10 gelden.

Met deze verhoudingen wordt voorkomen dat er door te grote overgangen adaptatie-problemen ontstaan.

Het is belangrijk de lichtbehoefte te bepalen, alvorens met optische hulpmiddelen aan de slag te gaan.

Elke vergroting vraagt om verlichting.  Het licht wordt door de vergroting deels 'opgegeten'.

Hieronder zullen we nog enkele begrippen behandelen rondom verlichting die belangrijk zijn.

Terug naar boven

 

3. BEGRIPPEN ROND VERLICHTING

3.1 Luminantie

Onder luminantie wordt verstaan: de verhouding van de lichtsterkte van een lichtbron in een bepaalde richting tot het schijnbaar oppervlak van deze lichtbron.

Met andere woorden: het oplichten van de armatuur.

Terug naar boven

 

3.2 Verlichtingssterkte

We kennen allemaal de kale gloeilamp midden in de kamer aan het plafond als we pas verhuisd zijn.  Die lamp straalt naar alle kanten een zekere hoeveelheid licht uit.  Die hoeveelheid wordt uitgedrukt in lumen: de hoeveelheid licht die op een bepaald oppervlak wordt gemeten.

De verlichtingssterkte wordt gemeten met een luxmeter en uitgedrukt in lux.  Naarmate de afstand van de leeslamp tot het te verlichten voorwerp groter wordt, neemt de verlichtingssterkte af, en wel met een kwadraat van die afstand.  Dus als we een lamp op een afstand van twee meter boven een tafel hangen, krijgen we viermaal minder licht op de tafel dan wanneer hij op één meter afstand boven de tafel hangt.  Dus hoe dichter de lamp boven de tafel hangt, hoe hoger de verlichtingssterkte op die tafel is.

Terug naar boven

 

3.3 Contrast

Bedoeld wordt het verschil in aanzicht tussen twee delen in het gezichtsveld die tegelijkertijd of kort na elkaar worden gezien.  Het verschil kan veroorzaakt worden door helderheidsverschillen, kleuronderscheid of door beide.

Slechtzienden hebben vaak baat bij grotere contrastverschillen.  Zo kan het gemakkelijker zijn melk in een donkere mok te schenken dan in een witte.  Een deurklink in een contrasterende kleur is gemakkelijker te vinden.

Tè grote contrastverschillen kunnen echter ook weer hinderlijk zijn, omdat ze veel vragen van het aanpassingsvermogen van de ogen.  Een voorbeeld hiervan is een raam bij avond waar geen gordijnen voor hangen.  Dit kan als een groot zwart gat worden ervaren.

Terug naar boven

 

4. SCHEMA AANBEVOLEN VERLICHTINGSSTERKTES

Hieronder volgt een schema waarin u de aanbevolen verlichtingssterktes voor verschillende ruimtes en visuele taken vindt.
 

Typering ruimte / aanbevolen verlichtingssterkte

Typering van de visuele taak

Voorbeelden

geen werkruimte:
30-60 lux
vooral visuele oriëntatie; nauwelijks waarneming van details; wel van grote objecten en beweging van personen opslagruimtes, parkeergarages
incidenteel in gebruik als werkruimte:
60-125 lux
vooral visuele oriëntatie; waarneming van zeer grove details en beweging van personen gangen, trappenhuizen
voor grof werk:
125-250 lux
visuele taken met grove details grof constructiewerk in industrie, smederijen, magazijnen
voor normaal werk:
250-500 lux
visuele taken met normale details lees-/schrijfwerk met normale details; kantoren
voor fijn werk:
500-1000 lux
visuele taken met fijne details tekenkamers
voor zeer fijn werk:
1000-2000 lux
visuele taken met zeer fijne details precisiewerk in de industrie; kadastraal werk
voor bijzondere visuele taken:
2000-4000 lux
visuele taken met minieme details microminiaturisatie
voor exceptionele visuele taken:
4000-8000 lux
visuele taken met details aan de grens van het waarneembare operatie-/ behandelruimte in ziekenhuis

Dit zijn algemene regels die opgesteld zijn voor goedzienden.

Voor slechtzienden dienen de individuele behoeftes nader onderzocht te worden

Terug naar boven

Naar vorige pagina
Inhoud van deze site

Laatst bijgewerkt op: 06 September 2010 17:38:47
[einde pagina]

U bent bezoeker nummer:
Statistieken