Op 6 januari j.l. was het precies 150 jaar geleden dat Louis Braille, de
uitvinder van het brailleschrift, op 43-jarige leeftijd in Parijs overleed.
Kort daarna werd het brailleschrift over de hele wereld als het officiële
blindenschrift in gebruik genomen. Het heeft toch nog tot 1878 geduurd
voor op een internationaal congres werd erkend dat braille het beste schrift
voor blinden was; terwijl Louis Braille het al een eerste keer gepubliceerd had
in 1829. De tweede, definitieve versie, verscheen in 1837.
Veel mensen denken, net zoals ze dat jaren geleden bij de opkomst van de
cassetterecorder ook dachten, dat door de moderne spraaktechnologie en het
elektronisch lezen, het lezen van brailleboeken een aflopende zaak is.
Niets is echter minder waar. Als iemand het brailleschrift beheerst, zal
het lezen van een brailleboek over het algemeen meer voldoening geven dan het
beluisteren van hetzelfde boek in gesproken vorm. Bij een brailleboek lees
je actief en kun je je beter in het boek inleven. Je kunt zelf je
leestempo bepalen, doorbladeren en terugbladeren; allemaal handelingen die bij
het lezen van een gewoon boek ook gebruikelijk zijn. Het gesproken boek
blijft ondanks de vele voordelen, toch altijd een passieve aangelegenheid.
Wel zijn de tijden veranderd! Handmatig brailleren behoort tot het
verleden en de computer nam het werk over. Maar of het nu met de hand of
door de computer wordt aangemaakt, tot in lengte van jaren zal het
brailleschrift de sleutel blijven voor ontspanning en ontwikkeling van de
blinden over de hele wereld.
Trouwens, de computer vormt geen bedreiging voor het brailleschrift.
Integendeel: de computer is een zeer goede aanvulling. Dankzij het
internet en de brailleleesregel (een soort braillescherm) lezen blinden nu
bijvoorbeeld dagbladen, die vroeger niet in braille konden worden omgezet.
Het zou een droevig verhaal kunnen zijn, de levensgeschiedenis van Louis
Braille; een relaas van ziekte, ongeluk, leed en teleurstelling, ware het niet
dat in de 43 jaar waarover dit korte leven zich uitstrekt, de menselijke geest
zich eenmaal vaker heeft doen kennen in zijn vermogen te triomferen over
materiële nood en geestelijke tegenslag en in zijn vermogen om aan het eigen
harde lot een zegen te ontworstelen voor veel mensen van eigen en latere tijd.
Hieruit is het waarschijnlijk te verklaren dat zich rond de simpele feiten van
dit mensenleven een zekere legendevorming heeft geweven, die het moeilijk maakt,
de juiste gegevens vast te stellen, ook als men denkt de beste bronnen te
gebruiken. Ik hoop uit het beschikbare materiaal de beste keuze te hebben
gedaan.
Louis Braille werd geboren op 4 januari 1809 te Coupvray, een dorpje op 40 km
van Parijs en dat in die dagen slechts 600 inwoners telde. Hij was de
jongste zoon van Simon-René Braille, zadelmaker van beroep, en Monique Baron.
De Brailles hadden nog drie andere kinderen: Louis-Simon (17),
Cathérine-Joséphine (19) en Marie-Céline (14). Kleine Louis was dus in
feite een "nakomertje". Het gezin verkeerde in betrekkelijke welstand,
daar de vader, naast zijn bedrijfje, ook nog wat land bezat. Een schaduw
over het geluk van het rustige, liefdevolle gezin van de zadelmaker wierp
aanstonds de zorgelijke gezondheidstoestand van de kleine Louis.
Men liet het kind reeds drie dagen na de geboorte dopen, omdat men vreesde dat
het anders ongedoopt zou sterven, hetgeen voor goede katholieken als de Brailles
waren, evenzeer te vrezen was als de dood zelf. Ook Louis Braille zelf is
zijn hele leven een vroom katholiek gebleven. Het leven van de kleine
bleef echter gespaard en Louis werd een vrolijk, beweeglijk kind, dat al spoedig
een grote mate van intelligentie toonde.
Hij voelde zich bijzonder aangetrokken tot de werkplaats van zijn vader, waar
hij graag met een scherp mes figuurtjes sneed uit leer. Deze liefhebberij
zou hem noodlottig worden. Terwijl hij zich daarmee weer bezighield, viel
hij met het mes in de hand en verwondde daarbij één der ogen. Er trad
hoornvliesvertroebeling op en in een proces dat zich over enkele jaren
uitstrekte, verloor hij volledig het gezichtsvermogen aan beide ogen. Met
de huidige kennis van de geneeskunde inzake het bestrijden van infecties, had
men dit wellicht kunnen voorkomen.
We zullen niet lang blijven stilstaan bij het ontzettende verdriet van de
ouders, die niet anders konden denken dan dat door dit ongeluk alle kans op een
gelukkig en nuttig leven voor het kind voorgoed was afgesloten. Ze zouden
het stellig niet geloofd hebben als iemand hen had voorspeld dat de ramp, hun
kind overkomen, een bron van onvoorstelbare zegen zou worden voor de blinden in
alle landen en alle tijden. Toch begon men al spoedig de kleine Louis enig
onderwijs te geven. Getroffen door zijn bijzondere intelligentie, bood de
Abbé Palluy (de dorpspriester) aan hem les te geven, toen hij zes jaar oud was.
Ook bezocht hij gedurende enige tijd de dorpsschool van Coupvray. Dit
onderwijs was echter onvoldoende. Louis moest een opleiding hebben, die op
zijn omstandigheden was ingesteld. Dat begreep de Marquis d'Orvilliers,
die begunstiger was van het Koninklijk Instituut voor Jeugdige Blinden te
Parijs. Nadat hij, klaarblijkelijk niet zonder moeite, de ouders had
overtuigd van de wenselijkheid Louis naar dit instituut te zenden, werd deze op
15 februari 1819 aldaar als leerling geplaatst.
Coupvray-Parijs, een rit van 2½ uur met de diligence; maar die rit betekende
voor Louis de overgang naar een geheel nieuwe wereld. Een wereld met
nieuwe geluiden, nieuwe geuren, nieuwe ervaringen en met nieuwe mensen, die
anders spraken dan de mensen van zijn dorp en over andere onderwerpen. Een
andere wereld! Ja, maar één die nog heel weinig geleek op datgene waaraan
wij denken, als we ons een modern blindeninstituut voorstellen. Het
blindenonderwijs was toen nog maar enkele tientallen jaren oud en het verkeerde
nog in een heel primitief stadium. Gedurende alle voorafgaande eeuwen had
men de blinden beschouwd als volstrekt onvolwaardige en onbruikbare wezens, die
onmogelijk tot een trap van noemenswaardige ontwikkeling en beschaving waren te
brengen. Wel zijn er in alle tijden blinden geweest, die het wisten te
brengen tot zeer bijzondere prestaties, doch deze werden beschouwd als abnormaal
begaafden, die niet als voorbeeld konden dienen voor gewone mensen.
Pionier van het blindenonderwijs en tevens stichter van het zo-even genoemde
blindeninstituut dat in 1784 werd opgericht, was Valentin Haüy. Valentin
Haüy's inspanningen voor de blinden gingen niet over rozen. De
veranderingen in de Franse samenleving en het landsbestuur worden weerspiegeld
in zijn werk en leven. Het "Institut des Jeunes Aveugles" was eerst een
privé-instelling. Later werd het een koninklijk, een keizerlijk instituut
en uiteindelijk een staatsinstelling.
Eén van de grootste problemen waarmee Haüy worstelde, was dat van de
lectuurvoorziening. Hij zag helder in dat het blindenonderwijs, waaraan
hij al zijn liefde en al zijn kracht gaf, nooit tot volle ontplooiing zou komen,
zolang men geen goede methode had gevonden om blinden lezen en schrijven te
leren. Het door hem gebruikte reliëfschrift (*) van gewone letters voldeed
in de praktijk niet. Het was te omvangrijk en te moeilijk leesbaar.
Bovendien konden de blinden het niet zelf schrijven. Het werd Haüy (die
leefde van 1745 tot 1822) niet gegeven, dit probleem tot oplossing te brengen.
Naar men zegt, maakte Louis Braille op zijn aansporing daarvan zijn
levensopgave.
* In de eerste helft van de negentiende eeuw behielp men zich bij het
blindenonderwijs met in stevig papier geperste reliëfteksten in
zwartdrukletters. In Groot-Brittannië wordt nu nog het zogenaamde
moonschrift gebruikt voor laatblinden. Moon (uitgevonden in 1847 door
William Moon) is een zeer vereenvoudigd reliëfschrift dat nog wat gelijkenis
vertoont met de gewone letters. De redenering is, dat laatblinde mensen
nog het visuele geheugen van zienden hebben en die letters beter herkennen)
Vijfde intermezzo:
Lied ohne Worte, Op. 109 (Mendelssohn)
We moeten ons van het Koninklijk Blindeninstituut, waar Louis Braille op
tienjarige leeftijd zijn intrede deed, vooral geen te verheven denkbeeld vormen.
Het was gevestigd in het oude gebouw van het seminarie van St.-Germin aan de Rue
St.-Victor. In al zijn onderdelen was het nauw en bekrompen. Het
stonk er en het was volkomen ongeschikt voor het doel waarvoor het moest dienen.
Het instituut was arm en had aan alles gebrek. De boeken waren schaars en
veel te beknopt. Het onderwijs werd gegeven door eindeloze herhalingen.
In de klassen dreunden de leerlingen gezamenlijk de leerstof op, net zo lang
totdat ze die in het geheugen hadden geprent. Ook het muziekonderwijs
steunde geheel op het geheugen. Het werd gegeven door voorspelen en
afhoren.
Dit alles gebeurde in een omgeving die verre van rustig was. Terwijl
iemand in een gang viool studeerde, oefende een ander zich bij de achterdeur op
de bas, speelde een derde fluit ergens in een vensternis en studeerden weer
anderen piano op een aantal slechte instrumenten, die bij elkaar stonden in één
en hetzelfde vertrek, waar de schoolkinderen hun huiswerk moesten maken.
Louis schijnt zich van al die ongerieflijkheden niet al te veel te hebben
aangetrokken, maar het trage tempo waarin het aldus gegeven onderwijs verliep,
was de leergierige knaap een voortdurende ergernis. Al spoedig
onderscheidde hij zich als een buitengewoon veelzijdig begaafde leerling, die
snelle vorderingen maakte, zowel in de muziek als in de andere vakken die aan
het instituut werden onderwezen.
Van zijn vroege jeugd af is het zijn
hartstochtelijk verlangen geweest de kennis, waarnaar hij zelf dorstte, ook
toegankelijk te maken voor anderen. Met de toewijding en de
vasthoudendheid van de geboren uitvinder legde hij er zich op toe, een betere
methode voor het blindenschrift te vinden. Toen hij nog maar 14 jaar oud
was, trof Abbé Palluy hem in een vakantie eens aan, terwijl hij bezig was te
experimenteren met allerlei figuurtjes, waaruit hij een bruikbaar alfabet wilde
construeren. Dat de oplossing niet in deze richting moest worden gezocht,
begreep de jonge Braille reeds kort daarna.
Hij kende toen reeds het
voelbare schrift van Charles Barbier de la Serre, een Franse artillerieofficier,
die een codesysteem had uitgezocht, dat bestond uit punten en streepjes.
Barbier (1767/1843) was hiertoe gekomen op één van zijn nachtelijke expedities.
Oorspronkelijk was het alleen zijn bedoeling een voelbare code samen te stellen,
een soort "nachtschrift", dat zijn mannen in het donker zouden ontcijferen en
door middel waarvan hij bevelen kon doorgeven. Het commando "voorwaarts
mars" bijvoorbeeld, werd weergegeven door twee streepjes en een punt. Toen
hij later zijn systeem geperfectioneerd had, vatte bij hem de mening post, dat
hij de oplossing voor het blindenschrift had gevonden.
Inderdaad is
Barbier te beschouwen als de onmiddellijke voorloper van Louis Braille.
Immers, hij is de eerste geweest, die begreep dat een blindenschrift niet
gebaseerd moest zijn op tekens die bestemd zijn om met de ogen te worden
gelezen, maar op tekens die ingesteld zijn op de waarneming door middel van de
tastzin. In 1819 - precies het jaar, waarin Braille als leerling in het
blindeninstituut van Parijs werd opgenomen - ging Barbier bij de directeur van
deze instelling het gebruik van zijn "nachtschrift" bij het blindenonderwijs
bepleiten.
Braille, die Barbier altijd ten volle de eer heeft gegeven van de primeur van
dit inzicht, had
dan ook in dit opzicht de grootste waardering voor het denkbeeld van Barbier.
Tegelijkertijd zag hij echter onoverkomelijke bezwaren. Het systeem van
Barbier, dat deze fonografie noemde, was niet orthografisch, d.w.z. het
liet geen weergave van de spelling toe. Men schreef daarin lettergrepen,
zoals men die hoorde. Bovendien kende het geen punctuatietekens, geen
accenten (zo belangrijk voor de Franse taal) en geen muzieknoten. Het was
een fonetisch schrift, een soort stenografie. Voor Barbier waren de
blinden een marginale groep, voor wie de gebruikelijke spelling een overbodige
luxe was. Braille daarentegen beschouwde het respecteren van de spelling
als een eerste voorwaarde om als normaal medemens gerespecteerd te worden.
Steunend op het principe dat hij van Barbier had overgenomen, construeerde
Braille een puntenschrift, dat men zich kan voorstellen als te bestaan uit twee
verticaal naast elkaar geplaatste reeksen van drie punten. In deze eerste
conceptie, die overigens het tegenwoordige brailleschrift al heel dicht nabij
komt en waarmee Louis Braille gereed was, toen hij nog maar 16 jaar oud was (*),
werden de punctuatietekens nog met streepjes aangegeven. Het was echter
een alfabetisch schrift, waarin de spelling volledig kon worden weergegeven.
Zijn schoolkameraden en de toenmalige directeur van het instituut, Pignier, die
door Braille wordt gekarakteriseerd als een streng, maar progressief man,
aanvaardden het nieuwe schrift met grote geestdrift. Barbier echter kon
het aanvankelijk maar slecht verkroppen dat een schooljongen juistere inzichten
zou hebben dan hij. Met grote hardnekkigheid bleef hij bij Pignier
aandringen op zijn eigen systeem. Zes jaar lang hield hij de strijd vol,
doch toen erkende hij volmondig het systeem van Braille als het enige bruikbare
blindenschrift. Maar Braille had boosaardige tegenstanders. Zijn
leven werd, evenals dat van veel uitvinders, bemoeilijkt door onbegrip en sleur
en bovendien traden hem fysieke moeilijkheden in de weg. Niettemin hield
hij vol.
* Dat hij daarmee reeds in 1825, dus op 16-jarige leeftijd, klaar zou zijn
geweest, vereist enig voorbehoud.
Intussen ontwikkelde Braille zich verder. Van zijn veertiende tot zijn
zestiende jaar was hij opzichter in de pantoffelmakerij. In diezelfde tijd
volgde hij cursussen aan de universiteit en nu mocht hij lesgeven in algebra en
aardrijkskunde. Een jaar later werden er fragmenten van de Franse
grammatica in het brailleschrift overgeschreven. Op zijn negentiende jaar
werd Braille officieel benoemd tot repetitor, een mooie naam, die men gaf aan
hulpkrachten, die men uit de beste leerlingen recruteerde en die zo goed als
geen salaris ontvingen. Nu mocht Braille ook muziekles geven en dat maar
liefst op drie instrumenten, nl. viool, cello en piano. Dat zoveel
leervakken aan hem werden toevertrouwd getuigt zeker voor zijn veelzijdige
begaafdheid, maar het wijst ook op de onvoldoende bezetting van het onderwijzend
personeel van het altijd maar straatarme instituut. Braille vond ook nog
tijd en energie om in besloten kring op te treden als pianist, maar zijn
gezondheid was te zwak om dit te kunnen volhouden. Wel werd hij op zijn
drieëntwintigste jaar organist van één van de grote kerken van Parijs. Bij
dat alles was hij nog steeds bezig met de perfectionering van zijn schrift, dat
hij omstreeks deze tijd begon toe te passen op eenvoudige muziek (*). In
de loop van enkele jaren kon hij ook de ingewikkeldste partituren in zijn
systeem weergeven.
* Vanaf het ontstaan van de eerste blindeninstituten tot zo'n 40 jaar geleden (d.i. tot aan het Tweede Vaticaans Concilie) heeft vooral de kerkmuziek aan tal van
blinden een eerbare beroepsbezigheid bezorgd. Geen wonder dat Louis
Braille bij het ontwerpen van zijn schrift, meteen ook aan een
blindenmuziekschrift heeft gedacht.
Directeur Pignier deed wat in zijn vermogen was om Braille te helpen bij de
strijd om erkenning en algemene toepassing van zijn nieuwe schrift. Hij
had echter hulp nodig van officiële zijde en die hulp was vooralsnog niet te
verkrijgen. De vele brieven, die Pignier schreef aan de regering bleven
eenvoudig onbeantwoord. Toch nam minister Adolphe Thiers eenmaal de moeite
het instituut te bezoeken. Klaarblijkelijk een gevolg van dit bezoek was,
dat Braille en één van zijn medeleerlingen een volledige aanstelling ontving als
leraar aan het instituut. Enkele jaren later werd het eerste echte
brailleboek geëxposeerd op een industriële tentoonstelling. Bij die
gelegenheid vroeg een Engelsman aan Braille, aan zijn alfabet de letter "w" toe
te voegen, die hij daarin niet had opgenomen. (*) Eerst na die tijd gaf
Braille aan zijn schrift de definitieve vorm en verwijderde daaruit de
streepjes, die nog aan Barbier herinnerden. Er leek meer openbare
belangstelling te komen. De dichter Lamartine besprak in het parlement de
slechte toestand in het blindeninstituut en pleitte voor regeringshulp.
Zelfs verwaardigde de regering zich nu dan toch, te antwoorden op een brief van
Pignier. Dit veelzeggende antwoord luidde, dat het werk van dhr.
Braille diende te worden aangemoedigd.
Bij dit klopje op de schouder bleef het.
* Een aannemelijke verklaring hiervoor is moeilijk te vinden. De bedenking
dat in het Frans de "W" alleen voorkomt in woorden van vreemde oorsprong, geldt
ook voor de "K" en die had Braille wel opgenomen.
Op 26-jarige leeftijd kreeg Braille voor het eerst een bloedspuwing (*). Pignier vreesde voor een ernstige ziekte en
trachtte hem zoveel mogelijk te ontzien door hem kleine klassen te geven.
Bij deze fysieke tegenslag bleef het niet. Een sedert jaren hangend
conflict tussen Pignier en zijn onderdirecteur had tot gevolg dat Pignier het
veld moest ruimen. Diens conservatieve opvolger, de triomferende
onderdirecteur, keerde zich fel tegen het schrift van Louis Braille. Het
gebruik van het brailleschrift werd verboden en leerlingen, die zich in het
geheim daarmee bezighielden, werden streng gestraft, als ze werden betrapt.
Van 1840 af werd brailleschrift door de nieuwe directeur, Dufau, verboden.
Alleen een door hem verbeterd ziendenschrift met bijzonder duidelijk reliëf werd
geduld.
Braille werd erger ziek. Maar hij zette de strijd voort, in het bewustzijn
dat hij streed voor de hoogste belangen van zijn lotgenoten, van wie hij hield,
zoals zij van hem hielden. Het ging hard tegen hard. De van nature
zo vriendelijke en zachte Braille streed voor een zaak, die hem heilig was en
die hij niet kon en niet mocht prijsgeven.
Zijn volharding werd beloond, de kans keerde. Weer rebelleerde er een
onderdirecteur en weer was het de chef, die aan het kortste eind trok. Nu
was het een overtuigd medestander van Louis Braille, die het heft in handen nam.
Toen het instituut werd overgeplaatst naar de Boulevard des Invalides, maakte de
nieuwe directeur gebruik van de officiële opening van het nieuwe gebouw om in
een gloedvolle rede te wijzen op de betekenis van het werk van Louis Braille.
Nu bezweek alle tegenstand, althans voor zover het betreft het Nationale
Instituut voor Jeugdige Blinden. Het brailleschrift werd in 1850 aan deze
school ingevoerd als het enig bruikbare schrift voor blinden en van daaruit
begon het zijn toch nog moeizame zegentocht over de gehele wereld. In 1854
hadden in Frankrijk alle blindeninstituten hun onderwijs op dit schriftstelsel
overgeschakeld. Een propagandabrochure met het braillealfabet en bij
wijze van proef het onzevader in dit schrift in zes talen, werd aan alle
instituten gestuurd in Europa en Amerika.
Maar Braille heeft zijn overwinning niet lang overleefd. Op 6 januari 1852
stierf hij in het instituut, waarvoor hij geleefd en gewerkt had, omringd door
mensen, die hem bewonderden en liefhadden.
Louis Braille werd begraven in zijn geboortedorp, Coupvray. In 1887 werd
op het kerkhof aldaar een eenvoudig monument opgericht, dat gedurende lange
jaren het enige uiterlijk gedenkteken te zijner ere is geweest. Thans is
het geboortehuis van Louis Braille ingericht als museum, waar alle voorwerpen en
documenten worden bewaard, die met betrekking tot zijn leven en werk van belang
zijn. Zo blijft Coupvray de plaats, waar blinden en blindenvrienden uit
alle landen Louis Braille blijven herdenken, ook nu zijn stoffelijk overschot
niet meer rust op het kerkhof aldaar. Op 18 juni 1952 werd dit stoffelijk
overschot nl. in een waarlijk aangrijpende plechtigheid en in aanwezigheid
van de president van de Franse republiek, overgebracht naar het Pantheon te
Parijs, waar Frankrijks grootste zonen rusten. Op vraag van de gemeente
bleven de handen bewaard in Coupvray: ze rusten in een urne op het oude graf.
Wie deze gebeurtenis heeft meegemaakt, kan daaraan niet zonder ontroering
terugdenken. Blinden en blindenvrienden uit alle landen, ja uit alle
werelddelen, volgden de baar, terwijl gedurende enige uren het verkeer in het
centrum van de wereldstad volkomen stil was gelegd. Vele duizenden
toeschouwers stonden langs de weg geschaard en zelfs van de daken der huizen
volgden meelevende blikken de stoet, die dank en hulde bracht aan dit korte
leven dat in zijn gevolgen van zo onnoemelijk veel zegen is geweest voor de
blinden van de gehele wereld.
Meer echter dan welk monument en welk uiterlijk eerbetoon ook, herinneren aan
Louis Braille alle drukkerijen, schrijfmachines, bibliotheken, tijdschriften en
alle andere culturele goederen, die door zijn werk en zijn strijd voor blinden
mogelijk zijn geworden. Voor de blinden is het aangezicht van de wereld
veranderd door de kracht, die is uitgegaan van de man met de zwakke gezondheid
en de sterke geest, die wist, beter dan de welmenende blindenvrienden van zijn
tijd, wat zijn lotgenoten nodig hadden voor hun geestelijke verheffing.
Voor de blinden is Louis Braille niet alleen de schepper van hun nog steeds
onovertroffen schrift - onovertroffen, ook nu wij daarnaast het zo waardevolle
medium van het gesproken boek hebben - maar tevens een intrigerend voorbeeld in
hun strijd voor culturele en maatschappelijke integratie.
1771:
Valentin Haüy ziet blinden op een kermis bespot worden. Hij besluit een
school op te richten om hen te helpen.
1784:
Het Institut des Jeunes Aveugles, gesticht door Haüy, wordt in Parijs geopend.
1786:
Lodewijk XVI verleent de school koninklijke bescherming.
1789:
Franse Revolutie. Haüy wordt ontslagen als directeur van de school.
1809:
Op 4 januari wordt Louis Braille geboren in Coupvray (Frankrijk).
1812:
Op driejarige leeftijd wordt Louis Braille door een ongeval blind in één oog.
1813/14:
Gelijdelijk verliest Louis ook het gezichtsvermogen in zijn andere oog.
1814:
Napoleons rijk gaat ten onder en Russische troepen bezetten Coupvray.
Kapitein Barbier werkt aan zijn "nachtschrift"-systeem.
1815:
Jacques Palluy wordt parochiepriester in Coupvray en geeft lessen aan Louis.
Het Institut des Jeunes Aveugles wordt in Parijs heropend.
1816:
Louis volgt les in de dorpsschool van Coupvray.
1819:
Louis is tien jaar en vertrekt naar het blindeninstituut in Parijs.
Barbier bepleit het gebruik van zijn nachtschrift bij het blindenonderwijs.
1821:
Dr. Pignier wordt de nieuwe directeur van het instituut en geeft het
systeem van Barbier een kans.
1823:
Louis experimenteert tijdens een vakantie met allerlei figuurtjes, waaruit hij
een bruikbaar alfabet tracht te construeren.
1825:
Na twee jaar werken is Louis klaar met zijn eerste puntenalfabet, gebaseerd op
Barbiers uitvinding. Hij is net 16 jaar geworden.
1827:
Fragmenten van de Franse spraakkunst worden overgeschreven in het
zespuntensysteem van Louis.
1828:
Louis wordt benoemd tot hulpleraar aan het instituut en hij past zijn systeem
aan om er muziek mee te schrijven.
1829:
Louis publiceert een boekje waarin hij zijn zespuntensysteem uitlegt.
1832:
Louis wordt organist van de Saint-Nicolas du Chardonnet-kerk in de nabijheid van
het instituut. Hij zal de rest van zijn leven blijven werken als organist.
1834:
Braille demonstreert zijn systeem op de industrietentoonstelling in Parijs.
Een Engelsman vraagt bij die gelegenheid aan Braille, de letter "w" aan zijn
alfabet toe te voegen.
1835:
Louis Braille vertoont de eerste symptomen van tuberculose.
1837:
Louis Braille publiceert de definitieve versie van zijn puntensysteem.
1838:
Op 14 mei stelt Lamartine in de Nationale Vergadering de toestand in het
instituut aan de kaak. 1.600.000 Franse frank worden uitgetrokken voor een
nieuw gebouw.
1840:
Dr. Pignier, de directeur van de school, wordt verplicht met pensioen gestuurd.
Zijn vice-directeur, Dufau, volgt hem op en vernietigt alle blindenboeken die
tot dan toe werden gebruikt. Hij voert nieuwe leessystemen in.
1843:
De gezondheid van Louis Braille gaat achteruit; hij verblijft zes maanden in
Coupvray. In november verhuist het instituut naar het nieuwe gebouw.
1844:
Op 22 febr. wordt het nieuwe gebouw officieel geopend en de nieuwe
directeur maakt van de gelegenheid gebruik, om in een gloedvolle rede te wijzen
op de betekenis van het werk van Louis Braille.
1848:
Louis Braille wordt steeds zieker. Hij kan nog slechts een paar
muzieklessen geven.
1850:
Het brailleschrift wordt op het Nationale Instituut voor Jeugdige Blinden
ingevoerd als het enig bruikbare schrift voor blinden.
1851:
Louis Braille is zo ziek, dat hij in het ziekenhuis van het instituut moet
verblijven.
1852:
Op 6 januari sterft Louis Braille, 43 jaar oud, en wordt begraven in Coupvray.
1854:
Brailleschrift wordt in Frankrijk aanvaard als het officiële systeem voor de
blinden.
1878:
Brailleschrift wordt door een internationaal congres gekozen als het beste
blindensysteem en wordt wereldwijd aanbevolen.
1887:
Op het kerkhof van Coupvray wordt een eenvoudig monument opgericht ter
nagedachtenis van Louis Braille.
1917:
Brailleschrift wordt voor algemeen gebruik aanvaard in de Verenigde Staten.
1929:
Het internationale braillemuziekschrift wordt aangenomen.
1949:
India vraagt de UNESCO om braille te reglementeren voor gebruik in elke taal.
Meer dan honderd talen en honderden dialecten kunnen nu in braille worden
geschreven.
1952:
Brailles lichaam wordt overgebracht van Coupvray naar het Pantheon in Parijs en
wordt herbegraven. De hoogste erkenning voor een Franse burger.
- Blinden voelen (of horen) niet beter dan zienden, maar ze oefenen het beter.
Kinderen die vanaf het eerste leerjaar braille leren, lezen tamelijk vlot.
Wie later blind wordt, heeft veel meer moeite om braille te leren. Het
grote probleem is de leessnelheid. Braille lees je door je vinger van
links naar rechts over het blad te schuiven, terwijl een ziende met de ogen over
het blad springt en leest tijdens de sprongpauzes. Zo kan hij de
leessnelheid opdrijven. Een blinde kan dat niet. Een geoefende
braillelezer kan slechts een goede honderd woorden per minuut lezen, terwijl een
ziende er gemakkelijk vijfhonderd leest. Stel je dus maar eens een
laatblinde voor die met braille begint, tegen een snelheid van tien à twintig
woorden per minuut: dat vraagt enorm veel motivatie.
- De strikte beperktheid van het aantal braillesymbolen (precies 63) dwingt tot
een spitsvondig gebruik van steeds weer dezelfde symbolen in naast elkaar
staande stelsels zoals volschrift, kortschrift, klassiek Grieks, muziekschrift,
wiskundig schrift, scheikundige en natuurwetenschappelijke formules, fonetisch
schrift, schaak- en speelkaartsymbolen.
- Louis Braille gaf aan 50 van de 63 symbolen van zijn stelsel een vaste
rangschikking in vijf rijen van tien symbolen elk, waarbij de laatste vier op
eenvoudige manier afgeleid waren van de eerste. De symbolen van rij 1 zijn
zo gekozen, dat ze slechts punten bevatten uit het bovenvierkantje van de
braillecel bestaande uit de punten 1-2-4-5, terwijl elk symbool minstens één
punt zowel in de bovenlijn als in de voorlijn heeft. De rijen 2, 3 en 4
zijn identiek aan rij 1, mits toevoeging bij elk van zijn symbolen, resp.
van punt 3, de punten 3-6 en punt 6. Rij 5 is identiek aan rij 1, doch
"gezakt" d.i. overgebracht naar het benedenvierkantje van de braillecel
(punten 2-3-5-6).
Voor de 13 door Braille niet gerangschikte symbolen bestaat er geen algemeen
aanvaarde volgorde.
- Naar het schijnt zou bij de oprichting van twee instituten te Brussel in 1834
(voor meisjes) en 1835 (voor jongens) op aanwijzing van de blinde, Belgische
parlementariër, Alexander Rodenbach (1786/1869), het brailleschrift al meteen
zijn ingevoerd. Indien dit waar is, is dat wel een primeur van formaat!
Personalia:
A. Alexander Rodenbach (grootoom van Albrecht) was een begaafde telg uit de
hogere burgerij; werd blind op 11-jarige leeftijd; werd de eerste internationaal
bekende oud-leerling van het bekendste blindeninstituut ter wereld (de school
van Haüy in Parijs).
B. Politieke carrière: In 1830 lid van het Nationaal Congres; van 1831 tot 1868
volksvertegenwoordiger; van 1844 tot 1869 tevens burgemeester van Rumbeke.
C. Letterkundig oeuvre i.v.m. visueel en auditief gehandicapten: "Lettre
sur les aveugles" (1828); "Coup d'oeil d'un aveugle sur les sourds-muets"
(1829); vanaf 1841 bijdragen in de "Annales de l'éducation des sourds-muets et
des aveugles" uit Parijs; in 1854 zijn voornaamste werk: "Les aveugles et les
sourds-muets".
Opmerking:
Wellicht heeft geen enkele blinde tijdens zijn aardse bestaan zoveel binnen- en
buitenlandse eretekens gekregen, als Alexander Rodenbach. Maar in de
internationale geschiedenis van het blindenwezen is hij geleidelijk een
verbleekte historische figuur geworden, tussen zoveel andere.
Birch, Beverley:
Louis Braille, de blinde jongen uit Frankrijk, die de blinden leerde lezen met
hun vingers.
(Paradigma, 1990.)
Dewitte, Jan:
In het spoor van Louis Braille.
(Artikel in "Tribune", het ledenblad van de Vereniging van Blinden en
Slechtzienden Licht en Liefde VZW, mei 2002.)
Friant, Leon:
Blind tussen ziende horenden; musici met een visuele handicap.
(Brochure, uitgegeven in eigen beheer; z.j.)
Jacobs, Ernest/Ingels, Denyse:
Diverse artikelen in "Tribune".
(O.m. in de jaargangen 1994, 1999 en 2001.)
Jonker-Timmerman, Tineke:
Moon, schrift in reliëf.
(Vrije vertaling van het artikel van Tom Brown, verschenen in "Umschau des
Europäischen Blindenwesens" nr. 2,1981.)
Tingen, F.G.:
Leven en werk van Louis Braille.
(Vereniging Het Nederlandse Blindenwezen, Amsterdam, 1967.)
Vermeulen, Antoon:
Valentin Haüy, de eerste blindenleraar.
(Artikel, destijds verschenen in "Tribune".)
Vervloessem, Paul:
Interview in het Radio 1-programma "Jongens en Wetenschap" (14 januari 2002).
De Grote Winkler Prins.
Programmaboekje academische huldezitting Alexander Rodenbach, in het
Rodenbach-jaar 1986 te Roeselare.