Bron: Frans Oosterlinck
Door: Antoon Vermeulen
Publicatiedatum onbekend
Dit jaar (1984) is het 200 jaar geleden dat de Fransman, Valentin Haüy, een zeer
bescheiden aanvang maakte met wat nadien uitgroeide tot 's werelds eerste
blindeninstituut, het huidige "Institut National des Jeunes Aveugles" te Parijs.
Hij en die andere Fransman, Charles Barbier, moeten we overigens beschouwen als
wegbereiders van Louis Braille, de uitvinder van het geniale blindenschrift dat
zijn naam draagt.
Een bepaald feit in zijn leven had Valentin Haüy bijzonder getroffen. Hij
was getuige geweest van een vreemd schouwspel op een Parijse jaarmarkt, de "Foire
St.-Ovide". Een vindingrijk, maar weinig scrupuleus uitbater van een
drinktent had voor het vermaak van zijn klanten een tiental bewoners van het
blindentehuis van de "Quinze-Vingt" aangeworven. Hij had hen in een
groteske kledij gestoken met gekke hoeden, kartonnen brillen en dies meer, en op
een podium geplaatst. Daar brachten ze tot jolijt van de aanwezigen, bij
overbodig kaarslicht en voor nutteloze muziekpartituren, op hun violen een
verschrikkelijke kattenmuziek ten gehore. Valentin Haüy was ontsteld en
diep verontwaardigd door dit zielig vertoon. Hadden de blinden dan geen
recht op waardering? En bij hem groeide het verlangen om de blinden in
staat te stellen een harmonisch concert te geven en bij de andere mensen aanzien
te verwerven. Maar daarvoor moesten de blinden leren lezen en schrijven.
Dit feit wordt doorgaans gesitueerd in september 1771. Valentin Haüy,
geboren op 13 november 1745 te St.-Just-en-Chaussée in het zuiden van Picardië,
was toen nog geen 26 jaar oud en werkte op dat ogenblik als vertaler. Zijn
vader was wever en had zich in 1751 met zijn gezin te Parijs gevestigd.
René-Just, de 32 maanden oudere broer van Valentin, zou later priester en een
befaamd geleerde worden. Hij was mineraloog en is o.m. de schepper
geweest van de kristallografie of leer der kristalvormen. Valentin van
zijn kant voelde zich voornamelijk aangetrokken tot de talen. Naast
Latijn, Grieks en Hebreeuws studeerde hij ook een tiental levende talen.
Hij specialiseerde zich bovendien in het ontcijferen van oude handschriften,
Franse en vreemde, en van geheimschriften. Deze interesse, zijn
menslievend karakter en het schouwspel op de "Foire St.-Ovide" hebben hem ertoe
gebracht te gaan zoeken naar een systeem, waarmee de blinden zouden kunnen
lezen.
Hij was op de hoogte van de verwezenlijkingen van Abbé de l'Epée voor de doven.
Deze had voor hen nl. een handalfabet bedacht en in 1760 te Parijs de
eerste school voor doven opgericht. Valentin Haüy wou nu iets
gelijkaardigs doen voor de blinden. Aanvankelijk ontbrak het hem aan geld
om een eigen school te beginnen. In afwachting trachtte hij zoveel
mogelijk over prestaties van afzonderlijke blinden te weten te komen. Zo
kwam hij dan in contact met de jonge, Weense blinde, Maria Theresia von Paradis.
In 1784 was deze begaafde jongedame te Parijs, waar ze in het openbaar en in de
salons als zangeres optrad en klavecimbel speelde.
Van 31 mei 1784 dateert de ontmoeting van Valentin Haüy met de jonge, blinde
bedelaar, François Lesueur. Getroffen door de opmerkingsgave en de
intelligentie van de knaap, besloot Haüy hem te leren lezen. Op dat
ogenblik heeft het moderne blindenonderwijs een aanvang genomen. Haüy liet
losse letters vervaardigen, in de aard van de letters waarmee drukkers hun
teksten zetten, maar dan niet in spiegelbeeld. Daarmee leerde Lesueur
lezen en zelf zinnen maken. Hij leerde ook de eerste begrippen van de
spelling en door cijfers in een bakje te schikken, kende hij weldra de vier
rekenkundige bewerkingen. In september van dat jaar deelde Haüy het
behaalde succes mee in "Le Journal de Paris" en op 18 november gaf hij met zijn
leerling een demonstratie voor het "Bureau Académique des Écritures".
Lesueur las en rekende. Hij herkende de landen op een reliëfkaart en kon
zeggen wat andere reliëffiguren die men hem onder de vingers schoof,
voorstelden. Het bewijs was geleverd, dat blinden voor onderwijs vatbaar
waren. In januari 1785 werd Haüy benoemd tot lid van de "Société
Philanthropique", die hem dan het onderwijs van haar 12 blinde beschermelingen
toevertrouwde.
De "Société Philanthropique" zorgde voor de nodige geldmiddelen. Het
leerlingenaantal steeg, er kwam een internaat bij en de leerlingen kregen een
keurig uniform. De school werd uitgenodigd, met haar koor en orkest
uitvoeringen te geven in kerken en mee op te stappen in processies. De
leerlingen leerden lezen met verhoogde drukletters, zij musiceerden en konden
voor het merendeel zeer goed rekenen. Maar intussen werd het 1789 en kwam
de Franse Revolutie. Zij die tot dan de school met schenkingen hadden
begunstigd, verloren veel van hun bezittingen. Op private schenkers kon
niet meer worden gerekend. De school werd trouwens door de staat
overgenomen. Haüy loodste handig zijn school tussen de klippen, die in die
woelige tijd niet ontbraken en redde haar bestaan. Met Napoleon had hij
minder geluk. Deze vond het, o.m. uit besparingsoverwegingen, niet nodig
dat naast het eeuwenoude blindentehuis, "L'Hospice des Quinze-Vingt", een
afzonderlijke school voor blinden bestond. En hij voegde de school bij het
tehuis. De nieuwe structuur beviel Valentin Haüy niet en in 1802 voelde
hij zich genoodzaakt op te stappen.
Intussen was zijn bekendheid doorgedrongen tot in Rusland. In 1803 kreeg
hij van tsaar Alexander I een uitnodiging om in het verre St.-Petersburg, een
blindenschool op te richten. Om verschillende redenen, waaronder
moeilijkheden met zijn gezondheid, kon Haüy pas in mei 1806 naar Rusland
vertrekken. Op weg daarheen kwam hij in Berlijn, waar hij de laatste stoot
gaf voor de oprichting van een blindenschool, feit dat dan door August Zeune
werd gerealiseerd. Zijn verblijf in Rusland werd een ontgoocheling.
Hij kreeg slechts de kans om aan één blinde onderricht te geven. Als hij
om meer leerlingen vroeg, antwoordde men hem met een ernstig gezicht dat er in
Rusland verder geen blinden waren. En de ziende die hij tot blindenleraar
moest vormen, was eerder lui en onbekwaam. Dan wijdde hij zich maar aan de
opvoeding van enkele doven en hernam zijn studie over het telegrafisch
doorseinen van boodschappen. Hij was ervan overtuigd dat zijn systeem om
het even wie zou toelaten een boodschap te versturen of te ontvangen, zelfs als
die opgesteld was in een taal die de seiner niet kende. Hij was werkelijk
bezeten door de idee van een "pasigrafie", een universeel schrift.
Pas op 25 augustus 1817 kwam hij terug in Parijs. Hij was een oude, zieke
en verbitterde man geworden. Zijn tweede vrouw, die hem naar Rusland
vergezeld had, had hem intussen in de steek gelaten. Hij vond onderdak in
de "Jardin du Roi", waar hij een kamer ter beschikking kreeg in het bescheiden
appartement van zijn broer, Abbé Haüy. Intussen had Lodewijk XVIII de
Franse troon bestegen. Hij maakte de blindenschool, die Haüy destijds
oprichtte, opnieuw los van de "Hospice des Quinze-Vingt" en verleende de school
onderdak in een oud seminarie. Eindelijk mocht Haüy zich opnieuw in zijn
school vertonen. Zijn gedragingen gedurende de Franse Revolutie waren er
voordien de oorzaak van geweest dat hij zijn school niet meer had mogen
betreden. Op 22 augustus 1821 werd er op de school voor hem een plechtige
ontvangst georganiseerd. Onder de blinde zangertjes die voor de stichter
van hun school een loflied zongen, bevond zich de twaalfjarige Louis Braille.
Deze hulde deed de bejaarde Haüy veel goed. Maar hij was ziek en stierf
kort daarop, nl. op 19 maart 1822.
We weten niet of Haüy gedurende de plechtige ontvangst op "zijn" school, onder
de zingende leerlingen Louis Braille opgemerkt heeft. We zouden het wel
gewild hebben. Toch is het helemaal niet zeker dat Valentin Haüy - indien
hij lang genoeg geleefd had om nog kennis te maken met het brailleschrift - er
erg enthousiast over zou geweest zijn. Het brailleschrift vertoont immers
geen gelijkenis met het alfabet van de zienden. En Haüy wou nu precies
altijd, ook in het schrift, blinden en zienden zo dicht mogelijk bij elkaar
brengen. Ondanks zijn visie op het blindenschrift, die duidelijk verschilt
van de visie die Louis Braille later zou huldigen, is Valentin Haüy een
buitengewoon verdienstelijk man geweest. Door het blindenonderwijs in het
leven te roepen, heeft hij een pioniersdaad gesteld met enorm weldadige gevolgen
voor de blinden van de hele wereld en van de eeuwen na hem. Bovendien
heeft hij de gunstige omgeving geschapen, waarin het talent van Louis Braille
zich kon ontplooien. Valentin Haüy verdient ten volle dat we hem dankbaar
gedenken.